Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 600,00
Rechtbank Limburg
De werknemer trad op 8 september 2017 in dienst bij de werkgever voor bepaalde tijd. Op 5 januari 2018 werd hij op staande voet ontslagen wegens vermeende diefstal van een tray bier bij een tankstation tijdens werktijd. De werkgever stelde dat de werknemer samen met een collega de diefstal had gepleegd en bevestigde dit schriftelijk op 8 januari 2018.
De werknemer betwistte de diefstal en voerde aan dat een collega het bier had gekocht. Hij trok tijdens de mondelinge behandeling het verzoek tot wedertewerkstelling in omdat het dienstverband inmiddels was geëindigd. De kantonrechter oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de werknemer de diefstal heeft gepleegd, mede omdat getuigenverklaringen dit niet bevestigen en de verklaring van de werknemer niet onaannemelijk is.
Daarom is het ontslag op staande voet onterecht gegeven. De werkgever is veroordeeld tot betaling van het loon tot het einde van het dienstverband op 7 april 2018, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Het subsidiaire verzoek tot billijke vergoeding wordt afgewezen omdat het primaire verzoek is toegewezen. De werkgever draagt tevens de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van salaris tot het einde van het dienstverband.