Uitspraak
RECHTBANK limburg
3.Eiseres heeft beroep ingesteld op de hierna te bespreken gronden.
“uit de administratie welke aanwezig was op het vestigingsadres van de onderneming [naam vervoersbedrijf] bleek dat de gehele planning en aansturing plaatsvond vanuit [naam vervoersbedrijf] ”– te twijfelen. Verder is de verhuur van de vrachtwagen met [kentekennummer 1] aan AH Trans niet onderbouwd met een huurcontract. De huurcontracten van vrachtwagens [kentekennummer 2] en [kentekennummer 3] en [kentekennummer 4] dateren uit 2015, maar toen was AH Trans al ontbonden. De enkele stelling van eiseres dat ook een ontbonden (en later failliet) bedrijf economische activiteiten kan ontplooien, acht de rechtbank een onvoldoende verklaring. Het ligt immers voor de hand dat een failliet bedrijf geen activiteiten meer ontplooit en nu eiseres degene is die stelt dat dit anders is, had het op haar weg gelegen haar stellingen te onderbouwen. Het betoog van eiseres dat juist verweerder een nadere onderbouwing had moeten geven, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Met het boeterapport heeft verweerder immers in voldoende mate aangetoond dat eiseres de werkgever was van de vreemdelingen.
18.De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
19.Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op