ECLI:NL:RVS:2016:2501
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding tewerkstellingsvergunningplicht Bulgaarse werknemers bevestigd met proceskostenvergoeding
De minister legde de vennootschap een boete van €24.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank matigde deze boete tot €17.100 wegens termijnoverschrijding en vernietigde het eerdere besluit van de minister. De vennootschap stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vennootschap terecht was beboet omdat Nederland de tewerkstellingsvergunningplicht voor Bulgaarse werknemers correct had verlengd en de vennootschap onvoldoende bewijs leverde dat de werknemers niet voor haar hadden gewerkt. Het ne bis in idem-beginsel werd niet geschonden omdat de vennootschap en het andere bedrijf afzonderlijke werkgevers waren.
Verder werd geoordeeld dat de minister het verdedigingsbeginsel niet had geschonden ondanks het ontbreken van een boetekennisgeving vooraf, omdat de vennootschap in de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te uiten. De boete werd als proportioneel beoordeeld, mede omdat de vennootschap de overtredingen volledig te verwijten waren.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de minister niet werd veroordeeld in proceskosten en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vennootschap. Het hoger beroep werd daarmee gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor het overige.
Uitkomst: De boete van €17.100 wordt bevestigd, het hoger beroep is gegrond voor wat betreft proceskostenvergoeding aan de vennootschap.