ECLI:NL:RVS:2019:2364
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door feitelijk werkgeverschap
Bij besluit van 4 oktober 2016 legde de minister een boete van €24.000 op aan [appellante] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van [appellante] tegen deze boete ongegrond. [appellante] stelde dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat zij vrachtauto's had verhuurd aan een Slowaakse firma die de arbeid verrichtte.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het begrip werkgever in de Wav ruim wordt uitgelegd en dat feitelijk werkgeverschap wordt aangenomen indien iemand feitelijk arbeid laat verrichten, ongeacht het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Uit de administratie van [appellante] en verklaringen bleek dat zij de planning en aansturing van de vrachtauto's verzorgde en daarmee feitelijk de vreemdelingen arbeid liet verrichten.
Verder concludeerde de Afdeling dat de vreemdelingen 2 en 3 daadwerkelijk arbeid in Nederland hebben verricht, gelet op de bestuurderskaarten en de ritplanning uit de administratie van [appellante]. Het betoog dat de gegevens onbetrouwbaar zouden zijn, werd verworpen omdat onvoldoende concrete aanwijzingen werden gegeven.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De boete van €24.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd omdat [appellante] als feitelijk werkgever wordt aangemerkt.