Eiser had zijn Ziektewet-uitkering beëindigd per 18 september 2020 en vroeg bijstand aan met ingang van die datum, maar het college kende de uitkering toe vanaf de datum van melding, 7 oktober 2020. Het college wees bezwaar af omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hoewel het afwachten van bezwaar tegen intrekking van een andere uitkering doorgaans geen bijzondere omstandigheid is, oordeelt de rechtbank dat in dit geval bijkomende factoren aanwezig zijn.
Deze factoren omvatten foutieve voorlichting door het UWV, verminderd doenvermogen van eiser door psychische klachten en complexe persoonlijke problemen, en het feit dat eiser nadeel heeft geleden door het inkomensgat. Ook de begeleiding door een sociaal raadsvrouw bood niet de juiste informatie. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de bijstand wordt toegekend met ingang van 18 september 2020.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.