ECLI:NL:RBLIM:2023:2283
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor twaalf maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en softdrugs. De burgemeester baseerde zijn besluit op een bestuurlijke rapportage waarin onder meer hennep, XTC, cocaïne en hasj werden aangetroffen, evenals attributen die duiden op drugshandel.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester terecht mocht uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage en dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs dat het gebruik ervan in deze bestuursrechtelijke procedure uitsluit. De omvang van de aangetroffen drugs en de context, waaronder meldingen van drugshandel en een afgevangen koper, maken aannemelijk dat de woning een rol speelt in de drugshandel.
De sluiting is noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde, mede gezien de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Evenredigheid is beoordeeld waarbij rekening is gehouden met de belangen van verzoeker, de ernst van de overtreding en de getroffen voorzieningen zoals hulp bij vervangende woonruimte en een langere begunstigingstermijn.
De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De woning blijft daarom gesloten en de burgemeester hoeft niet te wachten met uitvoering van het besluit totdat op bezwaar is beslist.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wegens drugshandel wordt afgewezen.