ECLI:NL:RBLIM:2023:4337

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
ZAAK: 10482595 AZ 23-39
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:686 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst BOA wegens alcoholgebruik tijdens werktijd

De gemeente Heerlen verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) wegens het drinken van alcohol tijdens werktijd, wat zij als wanprestatie kwalificeert. De werknemer ontkent alcohol gedronken te hebben en stelt alcoholvrij bier te hebben genuttigd. Na een intern onderzoek door 2Solve Investigations is vastgesteld dat de werknemer wel degelijk alcoholhoudend bier heeft gedronken tijdens een horecacontrole.

De kantonrechter stelt vast dat de werknemer al eerder gewaarschuwd was voor zijn gedrag en dat het drinken van alcohol tijdens werktijd in strijd is met de integriteitseisen die aan een BOA worden gesteld. De verklaringen van de werknemer worden als ongeloofwaardig beoordeeld, mede door tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en declaraties.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, waardoor hij geen recht heeft op een transitievergoeding. Ook de vordering tot billijke vergoeding wordt afgewezen. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten, die inclusief wettelijke rente door hem moeten worden voldaan.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen door alcoholgebruik tijdens werktijd zonder recht op transitievergoeding.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10482595 AZ VERZ 23-39
Beschikking van 13 juli 2023
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE HEERLEN,
gevestigd te Heerlen,
verzoekende partij,
gemachtigde mr. I. Swennen
tegen
[verweerder],
wonend te [woonplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde mr. P. Winkens.
Partijen zullen hierna de gemeente en [verweerder] genoemd worden.

1.De procedure

  • het verzoekschrift met 13 bijlagen
  • het verweerschrift met 7 bijlagen
  • de door de gemeente nagezonden bijlagen 14, 15 en 16
  • de mondelinge behandeling op 29 juni 2023, waarbij namens de gemeente een pleitnota is overgelegd. Tijdens deze mondelinge behandeling is ook de zaak behandeld tussen de gemeente en [naam collega] (zaaknummer: 10482739 AZ VERZ 23-40).
1.1.
Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1984, is op 1 oktober 2017 in dienst getreden van de gemeente in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: BOA).
2.2.
Bij brief van 8 april 2022 heeft de gemeente nadat zes collega’s klachten over hem en [naam collega] hadden ingediend aan [verweerder] medegedeeld dat zij na onderzoek heeft geconcludeerd dat [verweerder] :
  • agressief rijgedrag vertoont in een dienstvoertuig, hetgeen schadelijk is voor de uitstraling van en de beeldvorming over de gemeente.
  • ondanks dat hij daarop is aangesproken het dienstvoertuig gedurende lange tijd heeft gebruikt om zijn kind van en naar school te brengen en dag [verweerder] daar onjuist over verklaard heeft.
  • tijdens het onderzoek bij een stagebegeleider heeft gevraagd om (kopieën) van e-mails van of over een stagiaire terwijl de gemeente [verweerder] had gevraagd de melders van de klachten niet aan te spreken.
  • tegen collega’s gezegd heeft nog niet klaar te zijn met de melders.
De gemeente heeft in de brief aan [verweerder] medegedeeld dat het vertrouwen in hem ernstig geschaad is en dat zijn positie binnen het team onhoudbaar is geworden. De gemeente heeft daarom aangekondigd voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te zullen beëindigen, maar eerst te zullen onderzoeken of [verweerder] elders in een ander passende functie geplaatst kan worden. Ook heeft de gemeente [verweerder] in de brief medegedeeld dat zij een blijvende verandering in zijn gedrag verwacht, dat zij hem daarbij waar mogelijk zal faciliteren en dat hij “nu dus een laatste kans krijgt”. Wordt die niet of onvoldoende door [verweerder] benut, zal overgegaan worden tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aldus de gemeente.
2.3.
Met ingang van 1 september 2022 is [verweerder] gaan werken in het Cluster Interventieteam Ondermijning en Criminaliteit binnen het Team Sociale Veiligheid en Buurtregie.
2.4.
In de nacht van 5 op 6 november 2022 heeft [verweerder] samen met andere collega’s een integrale horecacontrole verricht. [verweerder] heeft toen samen met [naam collega] onopvallend (in burger gekleed) een aantal horecaondernemingen bezocht. Kort voor middernacht heeft mevrouw [naam projectleider] (Projectleider integrale veiligheid bij de gemeente, hierna: [naam projectleider] ) zich bij [verweerder] en [naam collega] aangesloten.
2.5.
Op 10 januari 2023 heeft [naam projectleider] bij de gemeente gemeld dat [verweerder] tijdens de horecacontrole van 5/6 november 2022:
  • alcohol heeft genuttigd
  • zich discriminerend heeft uitgelaten.
2.6.
De gemeente heeft daarop besloten dat het onderzoeksbureau 2Solve Investigations (hierna: 2Solve) een feitenonderzoek dient te verrichten.
2.7.
Bij brief van 24 januari 2023 heeft de gemeente [verweerder] geschorst en hem verboden tijdens de schorsing contact te hebben met zijn collega’s over de melding of andere werk gerelateerde zaken. Ook heeft zij [verweerder] in de brief medegedeeld dat 2Solve een onderzoek zal gaan verrichten.
2.8.
Vervolgens heeft 2Solve onderzoek verricht. In dat verband heeft 2Solve op
18 januari 2023 gesproken met [naam projectleider] en op 27 januari 2023 met (afzonderlijk) [verweerder] en [naam collega] . Van die gesprekken zijn gespreksverslagen gemaakt die steeds voor akkoord zijn ondertekend. 2Solve heeft daarna verder onderzoek verricht en met getuigen gesproken. Daarna heeft 2Solve op 17 februari 2023 opnieuw (afzonderlijk) met [verweerder] en [naam collega] gesproken. Ook van die gesprekken zijn gespreksverslagen opgesteld die [verweerder] respectievelijk [naam collega] voor akkoord ondertekend hebben.
2.9. 2
Solve heeft de bevindingen van het onderzoek vastgelegd in een rapportage van 21 maart 2023. Op 31 maart 2023 heeft een medewerker van team P&O van de gemeente op basis van het rapport van 2Solve een “beslisdocument” opgesteld voor de directie. De P&O-medewerker concludeert in dat beslisdocument dat de melding over het alcohol nuttigen gegrond wordt geacht en de melding over de discriminerende uitlatingen niet.
2.10.
De gemeente heeft daarna [verweerder] bij brief van 3 april 2023 een kopie van het beslisdocument toegezonden en hem medegedeeld dat de gegronde klacht in combinatie met de waarschuwing uit het verleden leiden tot de voorlopige beslissing om over te gaan tot beëindiging van het dienstverband. De gemeente heeft [verweerder] in de brief uitgenodigd voor een gesprek op 4 april 2023.
2.11.
Op 6 april 2023 heeft [verweerder] gesproken met een delegatie van de gemeente.
Bij die gelegenheid heeft [verweerder] zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht en ontkend alcohol gedronken te hebben.
2.12.
Bij brief van 6 april 2023 heeft de gemeente aan [verweerder] medegedeeld dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, maar dat daar op grond van de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] niet toe overgegaan is. Zij heeft hem in de brief medegedeeld een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter in te zullen dienen.

3.Het geschil

3.1.
De gemeente verzoekt:
de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden,
de einddatum van de arbeidsovereenkomst te bepalen op de datum van de beschikking,
te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft en dus geen recht heeft op een transitievergoeding,
[verweerder] te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van de beschikking tot de dag van betaling.
3.2.
In zijn verweer concludeert [verweerder] primair dat het verzoek van de gemeente afgewezen dient te worden. Subsidiair verzoekt hij de gemeente te veroordelen tot betaling van:
de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van de beschikking tot de dag van betaling,
een billijke vergoeding van € 50.929,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van de beschikking tot de dag van betaling,
de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van de beschikking tot de dag van betaling.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4.De beoordeling

4.1.
De gemeente verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Zij voert in dat verband diverse juridische grondslagen aan. De primaire grondslag van haar verzoek berust op art. 7:686 BW Pro: een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van de gemeente op deze grond toewijsbaar is. Dat oordeel wordt hieronder gemotiveerd.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan door de rechter worden ontbonden als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat het dan moet gaan om een ernstige tekortkoming die vergelijkbaar is met een dringende reden voor ontslag op staande voet. Van een dergelijke ernstige tekortkoming is in deze zaak sprake.
4.3.
[verweerder] is niet alleen werknemer, maar ook ambtenaar. Aan ambtenaren worden hogere integriteitseisen gesteld dan aan “gewone” werknemers. De gemeente wijst in dat verband er terecht op dat [verweerder] zich als een goed ambtenaar dient te gedragen en dat dit inhoudt dat hij zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar dient te zijn en niets mag doen dat het aanzien van zijn ambt zal schaden. Het is evident dat het drinken van alcohol tijdens werktijd in strijd is met de hoge integriteitseisen die aan een ambtenaar gesteld worden. Bovendien heeft de gemeente in haar personeelshandboek opgenomen dat zij van haar medewerkers verwacht dat zij geen alcohol gebruiken als zij werken. Daar komt nog bij dat [verweerder] BOA is en daarom van onbesproken gedrag dient te zijn. Daarnaast zal het drinken van alcohol de waarnemingen tijdens het werken als BOA kunnen beïnvloeden terwijl die waarnemingen wel in een proces-verbaal vastgelegd worden en als bewijs kunnen dienen op basis waarvan gehandhaafd wordt. Niet in geschil is dat [verweerder] voorafgaand aan de horecacontrole van 5 op 6 november 2022 erop gewezen is dat alcoholgebruik tijdens de controle niet was toegestaan.
4.4.
Dat [verweerder] tijdens de horecacontrole alcohol heeft gedronken, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast. De bevindingen van 2Solve bieden namelijk voldoende onderbouwing voor de juistheid van de stelling van de gemeente dat [verweerder] tijdens de horecacontrole alcohol gedronken heeft. [naam projectleider] heeft [verweerder] die avond bier zien drinken. [verweerder] betwist dat niet, maar volgens hem heeft hij die avond alcoholvrij bier gedronken. Dat verweer kan hem niet baten. [verweerder] heeft dat verweer ook tijdens het onderzoek van 2Solve naar voren gebracht, maar de kantonrechter is met de gemeente van oordeel dat uit de bevindingen van 2Solve moet worden geconcludeerd dat [verweerder] ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd.
4.5.
Tijdens het eerste gesprek met 2Solve heeft [verweerder] verklaard dat hij die avond voornamelijk cola en één alcoholvrij biertje in een glas gedronken heeft en dat hij alle consumpties heeft betaald. Tijdens het tweede gesprek is aan de orde gesteld dat [verweerder] en (in ieder geval) [naam collega] de friettent, [naam 1] en [naam 2] bezocht hebben. [verweerder] heeft desgevraagd verklaard dat hij alle kosten contant betaald heeft en dat hij de werkelijke kosten die zijn gemaakt in deze horecazaken gedeclareerd heeft. Verder heeft hij, nadat hij erop gewezen is dat [naam projectleider] heeft gemeld dat in [naam 1] drie tapbiertjes besteld waren waarna één biertje (voor [naam projectleider] ) is omgeruild voor een cola, verklaard dat hij alcoholvrij bier besteld heeft en ervan uit is gegaan dit ook gekregen te hebben. De kantonrechter is op basis hiervan van oordeel dat [verweerder] erkend heeft dat hij in [naam 1] bier (alcoholvrij of alcoholhoudend) gedronken heeft. Vervolgens is [verweerder] geconfronteerd met de door hem ingediende declaratie aangaande drie genuttigde consumpties in [naam 1] van € 2,50 per stuk. [verweerder] is er daarbij op gewezen dat alcoholvrij bier in [naam 1] € 3,00 per fles kost. De daarop door [verweerder] gegeven verklaring dat hij niet alle kosten gedeclareerd heeft en bij zijn declaratie is uitgegaan van standaardbedragen, staat haaks op zijn eerdere verklaring dat hij de werkelijke kosten gedeclareerd heeft. De declaratie vermeldt bovendien juist een vrij exact bedrag (€ 14,38) ten aanzien van “Fresh Friet” en ook het feit dat de declaratie prijzen per consumptie bij [naam 1] van € 2,50 vermeldt en bij [naam 2] van € 2,70, duidt er geenszins op dat in de declaratie is uitgegaan van een schatting zonder rekening te houden met de daadwerkelijke prijzen. De nadere verklaring van [verweerder] dat hij niet alle kosten gedeclareerd had en in de declaratie is uitgegaan van standaardbedragen wordt dus niet geloofwaardig geacht. Verder is [verweerder] ermee geconfronteerd dat in [naam 1] en [naam 2] alcoholvrij bier niet van de tap geschonken wordt. [verweerder] heeft daarna verklaard zich niet te kunnen herinneren of hij het alcoholvrij bier in een glas of een fles aangereikt gekregen heeft. Ook dit staat haaks op zijn eerdere verklaring dat hij het alcoholvrij bier uit een glas gedronken heeft. In dit verband is het van belang te vermelden dat, als [verweerder] inderdaad alcoholvrij bier in [naam 1] gedronken zou hebben, hij niet alleen een glas, maar ook een flesje aangereikt zou hebben gekregen. Het is in de horeca immers gebruikelijk dat consumpties uit een flesje, en zeker alcoholvrij bier uit een flesje, wordt geserveerd met het bijbehorende flesje. Het feit dat [verweerder] in eerste instantie heeft verklaard het bier in een glas gekregen te hebben, is dus een aanwijzing dat hij in [naam 1] wel degelijk alcoholhoudend bier gedronken heeft. [verweerder] moet zich dit gerealiseerd hebben en heeft daarom zijn verklaring op dit punt gewijzigd. Op grond van deze overwegingen, is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] in ieder geval in [naam 1] één alcoholhoudend biertje gedronken heeft. Het moet er daarnaast voor gehouden worden dat [verweerder] ook bij [naam 2] één alcoholhoudend biertje gedronken heeft. [naam projectleider] heeft hem daar namelijk bier zien drinken. Het verweer van [verweerder] dat het dan een alcoholvrij biertje moet zijn geweest, moet worden verworpen aangezien ook bij [naam 2] alcoholvrij bier niet van de tap maar met een fles geserveerd wordt. Het verweer van [verweerder] dat de twee gesprekken met 2Solve enkele maanden na de bewuste horecacontrole hebben plaatsgevonden en dat hij zich daarom veel niet meer (in detail) kan herinneren, kan [verweerder] niet baten. [verweerder] heeft slechts één keer aan een dergelijke horecacontrole deelgenomen en het ligt dan in de rede dat hij zich daarvan nog details kan herinneren. Daar komt nog bij dat hij van begin af aan wist van het belang van de gesprekken met 2Solve. 2Solve heeft naar aanleiding van de verklaringen van [naam collega] en [verweerder] in het eerste gesprek nader onderzoek verricht en hem met de bevindingen van dat onderzoek geconfronteerd in het tweede gesprek. Met de gemeente is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] vervolgens andersluidende verklaringen heeft afgelegd die daardoor niet (voldoende) geloofwaardig zijn.
4.6.
Op grond van voorgaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat vast is komen te staan dat [verweerder] tijdens de horecacontrole in de nacht van 5 op 6 november 2022 twee glazen alcoholhoudend bier heeft gedronken terwijl hij wist dat dit niet toegestaan was. Dit zou op zichzelf genomen reeds een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Hieruit volgt dat het drinken van bier tijdens de horecacontrole reeds voldoende onderbouwing is van de door de gemeente aangevoerde primaire grondslag.
4.7.
De kantonrechter stelt verder (wellicht ten overvloede) vast dat [verweerder] al een gewaarschuwd man was. De gemeente heeft hem namelijk bij brief van 8 april 2022 een laatste kans gegeven waarbij hem duidelijk is gemaakt dat hij zich geen misstappen meer kan veroorloven. [verweerder] stelt tijdens deze procedure weliswaar dat hij het destijds niet eens was met de inhoud van de brief van 8 april 2022, maar een gemotiveerde betwisting van de in die brief geconstateerde gedragingen ontbreekt. Het moet er daarom voor gehouden worden dat de gemeente [verweerder] destijds terecht indringend heeft gewaarschuwd en erop gewezen heeft dat [verweerder] zich geen misstappen meer kon veroorloven. De destijds geconstateerde gedragingen geven daar immers alle aanleiding toe.
4.8.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden omdat [verweerder] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming daarvan.
4.9.
De arbeidsovereenkomst eindigt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Daarom zal de einddatum van de arbeidsovereenkomst worden bepaald op vandaag (zie art. 7:671b lid 9 sub b BW) en zal worden bepaald dat [verweerder] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Hieruit volgt dat het (tegen)verzoek van [verweerder] om de gemeente te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding afgewezen zal worden. Ook zal [verweerder] verzoek om de gemeente te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding afgewezen worden. [verweerder] baseert dat namelijk ten onrechte op het betoog dat de arbeidsovereenkomst door ernstig verwijtbaar handelen van de gemeente eindigt. De arbeidsovereenkomst eindigt immers als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] .
4.10.
[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op:
griffierecht € 128,00
salaris gemachtigde
€ 793,00
Totaal € 921,00
De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van betaling.
4.11.
In deze beschikking hoeft geen aparte beslissing te worden genomen over de gevorderde nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen de gemeente en [verweerder] ,
5.2.
bepaalt de einddatum van de arbeidsovereenkomst op vandaag,
5.3.
verklaart voor recht dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, zodat hij op grond van art. 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder c BW geen recht heeft op een transitievergoeding,
5.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 921,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van betaling,
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.
Type: RW