Uitspraak
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
de Burgemeester van de gemeente Weert, de burgemeester
Inleiding
24 juli 2023 de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) moet sluiten en voor drie maanden gesloten moet houden.
13 december 2022 staat dat tijdens een onderzoek in de woning op 6 december 2022 in de garage negen nieuwe ongebruikte ventilatoren, zes stapels in plastic gewikkelde nieuwe ongebruikte kweekpotten en twee schakelpanelen zijn aangetroffen. Op de eerste verdieping van de woning werden onder meer 32 nieuwe ongebruikte assimilatielampen, nieuwe ongebruikte koolstoffilters, tientallen zakken met potgrond, nieuwe ongebruikte slakkenhuizen en vuilniszakken met slangen en koppelstukken aangetroffen. De koolstoffilters hingen in de ruimte en waren aangesloten op slangen die naar de zolder leidden. Verder lagen er in de ruimte diverse gereedschappen die nodig zijn voor het bouwen van een kwekerij. Op twee kamers op de bovenverdieping waren de deurkozijnen aangepast en de naden waren dichtgemaakt met purschuim. Op de zolder werden een groot aantal deels gebruikte droognetten aangetroffen waarop hennepresten werden aangetroffen. Daarnaast lagen op de zolder; een stijltang, een groot aantal strijkzakken en nieuwe gripzakken. In een doos werd een gripzak met 116 gram hennep aangetroffen.
30 januari 2023 verzoekster laten weten dat hij het voornemen heeft om de woning te sluiten. Verzoekster heeft haar zienswijze kenbaar gemaakt op 20 februari 2023.
-een bedrijfsmatig karakter van de geconstateerde inrichting, feiten en omstandigheden;
- (een vermoeden) van verwijtbaarheid van de bewoners/betrokkenen.
20 februari 2023 en het besluit van 28 juni 2023. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit tijdsverloop niet zodanig lang is dat sluiting van de woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van het doel dat met de sluiting is gediend. [5] Daarnaast hebben de gemachtigden van de burgemeester desgevraagd ter zitting toegelicht dat deze periode noodzakelijk is geweest om een zorgvuldig besluit voor te bereiden, omdat uit de zienswijze was gebleken dat verzoekster sinds december 2022 een baby heeft.
Uit het bovenstaande blijkt dat er sprake is van verwijtbaarheid en daarom wordt verzoekster niet gevolgd in de stelling dat niet is gebleken van enige verwijtbaarheid.