2.2.In het beheerplan is daarnaast in hoofdstuk 7 het huidig gebruik in en rond het Natura-2000 gebied getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen. Dit heeft ertoe geleid dat in het beheerplan is bepaald dat sommige bestaande activiteiten, bijvoorbeeld machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer) en teelt ondersteunende voorzieningen, zijn uitgezonderd van de natuurvergunningplicht
(categorie 1).
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het beheerplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 17 november 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. De rechtbank moet eerst ambtshalve toetsen of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat beroep bij de bestuursrechter alleen mogelijk is tegen een besluit. Wat een besluit is, volgt dan weer uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5. Uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb volgt dat bij de bestuursrechter alleen beroep kan worden ingesteld tegen de beschrijving van activiteiten in een beheerplan die het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij aangegeven voorwaarden en beperkingen. Hierbij gaat het om die onderdelen van een beheerplan waarin bepaalde projecten of andere handelingen worden uitgezonderd van de natuurvergunningplicht. Alleen die onderdelen van het beheerplan zijn namelijk aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Om als rechtbank bevoegd te zijn om het beroep van eiser inhoudelijk te kunnen behandelen, is het dan ook noodzakelijk dat eiser zijn beroep richt tegen een of meer onderdelen van het beheerplan die als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kwalificeren. Of dat in dit geval gebeurd is, zal de rechtbank hierna beoordelen.
6. Eiseres voert in beroep – samengevat – aan dat verweerder bij de voorbereiding van het beheerplan een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) had moeten opstellen. Eiseres voert verder aan dat de volgende activiteiten ten onrechte zijn aangewezen als vergunningvrij of getoetst hadden moeten worden: beweiden en bemesten van gronden binnen of nabij het Natura 2000-gebied, machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer), gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gebruik en onderhoud (peilgestuurde) drainage en watergangen, grond- en oppervlaktewateronttrekkingen ten behoeve van beregening en open teelt, aanleg van waterbuffers (ten onrechte niet als activiteit getoetst), waterzuiveringsinstallaties (nu niet als activiteit getoetst), (riool)overstorten (nu niet als activiteit getoetst) en infrastructuur (nu niet als activiteit getoetst). Het beheerplan dient daarnaast inzicht te bieden in de planning en het proces van de vergunningaanvraag- en beoordeling, hetgeen niet is gebeurd. Volgens eiseres moet de aanleg van waterbuffers, waterrioolzuiveringsinstallaties, (riool)overschotten en infrastructuur (met name weg) ook onder “waterbeheer” vallen en getoetst worden binnen hoofdstuk 7 ‘Bestaand gebruik’ en indien nodig moeten hieraan voorwaarden worden gesteld. De Geul en haar zijbeken hebben momenteel te maken met onnatuurlijk hoge afvoerpieken wat zorgt voor de knelpunten: erosie oevers, inspoeling, verdroging, vermesting en afvoerpieken en sliblast. Acties om deze knelpunten op te lossen ontbreken in het beheerplan. Volgens eiseres is in het beheerplan ten onrechte niet onderbouwd wat de negatieve effecten zijn bij cumulatie van activiteiten.
7. De rechtbank is van oordeel dat een weigering om een vrijstelling voor de natuurvergunningsplicht op te nemen in een Natura 2000 beheerplan, zoals het onderhavige beheerplan, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
8. Een weigering om een vrijstelling op de natuurvergunningplicht aan te nemen in het beheerplan is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op rechtsgevolg en is daarom geen besluit. Onder verwijzing naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4875, overweegt de rechtbank dat een besluit gericht is op rechtsgevolg als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen. Door geen vrijstelling aan te nemen in het beheerplan verandert de rechtspositie van eiseres, althans haar leden, niet. Er wordt door het plaatsen van een bepaalde activiteit in beoordelingscategorie 3 geen (bestaand) recht of verplichting teniet gedaan en ook ontstaat er geen recht of verplichting door een bepaald huidig gebruik niet vrij te stellen van de Wnb-vergunningplicht in het beheerplan. Dit omdat de (mogelijke) vergunningplicht voortvloeit uit de Wnb en dus niet het gevolg is van het niet opnemen als vrijstelling in het beheerplan. Met andere woorden, door het niet vrijstellen verandert er niets in het recht. Niet in het algemeen en niet voor de leden van eiseres afzonderlijk. Het beheerplan bepaalt in categorie 3 enkel dat deze vergunningplicht, die reeds in het leven is geroepen door de Wnb, blijft gelden voor een bepaalde activiteit en derhalve niet wordt vrijgesteld. Dat is anders dan in de categorieën 1 en 2, waarin verweerder wel een verandering beoogt in een recht/verplichting, namelijk het niet meer nodig zijn van een mogelijke vergunning (al dan niet onder voorwaarden). 9. Voorts overweegt de rechtbank dat een besluit tot het vaststellen van een beheerplan ook geen beschikking is in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, zijnde een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. De reden hiervoor is dat in dit geval geen sprake is van een afwijzing van een aanvraag, noch van een besluit dat niet van algemene strekking is. Een weigering om een beheerplan vast te stellen met meer vrijstellingen kan dan ook niet langs de band van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb gelijk worden gesteld met een besluit.
10. Als laatste is de rechtbank in dit kader nog van oordeel dat de omstandigheid dat in de kennisgeving is opgenomen dat door eenieder tegen de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbeheerplan beroep kan worden ingesteld, niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en of beroep bij de bestuursrechter open staat, ook niet als daaruit kan worden opgemaakt dat verweerder vindt dat beroep bij de bestuursrechter open staat.
Verhouding tot uitspraken van de Afdeling en van andere rechtbanken
11. De rechtbank komt tot voorgaand oordeel ondanks dat bepaalde uitspraken van de Afdeling lijken te suggereren dat de Afdeling zich wel bevoegd acht in een beroep tegen een weigering om een vrijstelling op te nemen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
12. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:613 en 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:709, overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen en nader uitgelegd in onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894, na de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied maatregelen moeten worden getroffen om de gestelde doelstellingen te bereiken. In een beheerplan worden die maatregelen en de wijze waarop deze moeten worden uitgevoerd, beschreven. Het beheerplan kan echter meer elementen bevatten dan een beschrijving van de maatregelen die moeten gaan leiden tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, zoals de mogelijkheid projecten en andere handelingen in een beheerplan te beschrijven en die daarmee uit te zonderen van de vergunningplicht uit artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998, voorloper van de natuurvergunningsplicht uit de Wnb). Dit is het deel van het beheerplan waarin de handelingen zijn beschreven die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Alleen tegen de keuze bepaalde projecten of andere handelingen daarin wel of niet te beschrijven en daarmeeal dan niet(cursivering rechtbank) vrij te stellen van de vergunningplicht staat beroep open, bepaalt artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 (voorloper van artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb).