ECLI:NL:RBLIM:2026:2740

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
ROE 24/645, ROE 24/1112, ROE 24/2562 en ROE 24/3008
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:38.1 APVArt. 2:38.2 APVArt. 2.1 WaboArt. 28.1 bestemmingsplanArt. 1.47 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lasten onder dwangsom wegens huisvesting arbeidsmigranten in voormalig klooster niet gegrond

Eisers, eigenaren van een voormalig klooster, kregen lasten onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtredingen van de Algemene plaatselijke verordening (APV) en het bestemmingsplan Valkenburg aan de Geul 2022 door het huisvesten van arbeidsmigranten zonder vereiste vergunningen.

De rechtbank oordeelt dat de overtreding van de APV onvoldoende aannemelijk is gemaakt, omdat niet is vastgesteld dat meer dan vier personen hun vaste woon- of verblijfplaats in een ander Europees land hebben en maximaal negen maanden legaal in Nederland werkzaam zijn. Ook is het huisvesten van arbeidsmigranten niet in strijd met het bestemmingsplan, aangezien woondoeleinden binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn toegestaan, inclusief tijdelijke bewoning.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Verweerders worden veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar worden niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de lasten onder dwangsom wegens overtreding APV en bestemmingsplan en herroept de primaire besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 24/645, ROE 24/1112, ROE 24/2562 en ROE 24/3008

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , en [eiser] , eisers

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
de burgemeester van de gemeente Valkenburg aan de Geul en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerders
(gemachtigden: mrs. F.A. Pommer, N. van Bijnen, C.J.A.G. Bronzwaer)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom vanwege, volgens verweerders, in strijd met de Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2022 (de APV) respectievelijk het bestemmingsplan “Initieel omgevingsplan Valkenburg aan de Geul 2022” (het bestemmingsplan) huisvesten van arbeidsmigranten in het (voormalige) klooster gelegen aan de [adres] in [plaats] (het pand). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de lasten onder dwangsom.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerders niet bevoegd waren onderhavige lasten onder dwangsom op te leggen. Eisers krijgen dus gelijk en hun beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Bij de primaire besluiten van 20 juli 2023 heeft de burgemeester van de gemeente Valkenburg aan de Geul (de burgemeester) aan eisers ieder afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de APV omdat in het pand (tijdelijk) arbeidsmigranten werden gehuisvest zonder de volgens de burgemeester daarvoor vereiste exploitatievergunning De besluiten die zien op overtreding van de APV worden hierna aangeduid als de APV-besluiten. Eisers hebben tegen de primaire APV-besluiten bezwaar gemaakt..
4. Bij de primaire besluiten van 16 augustus 2023 heeft het college van de gemeente Valkenburg aan de Geul (het college) aan eisers ieder afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat in het pand tijdelijk arbeidsmigranten werden gehuisvest hetgeen volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan. De besluiten die zien op overtreding van de Wabo worden hierna aangeduid als de Wabo-besluiten. Eisers hebben tegen de primaire Wabo-besluiten eveneens bezwaar gemaakt.
5. Eisers hebben naar aanleiding van voormelde besluiten, hangende de bezwaarprocedure verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. [1] De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 november 2023 [2] deze verzoeken afgewezen.
6. [eiseres] heeft vervolgens, omdat de beslissingen op haar bezwaren uitbleven, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaren. [3]
7. Bij de bestreden besluiten van 5 maart en 27 maart 2024 op de bezwaren van eisers zijn verweerders bij de Wabo- respectievelijk APV-besluiten gebleven.
8. [eiseres] heeft, desgevraagd, aangegeven zich niet met de bestreden besluiten te kunnen verenigen en daartegen beroepsgronden ingediend. [4] [eiser] heeft (ook) beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. [5]
9. De rechtbank heeft de beroepen op 28 oktober 2025 gezamenlijk op zitting behandeld, gezamenlijk met de zaken ROE 23/2372, ROE 24/1294, ROE 24/2134, ROE 24/2135, ROE 24/2846, ROE 24/2847 en ROE 24/2848 (over handhaving op grond van het Bouwbesluit) en de zaken ROE 24/3028, ROE 24/3576 en ROE 24.3788 (over de Wet open overheid). [eiseres] is op zitting vertegenwoordigd door haar bestuurder en middellijk aandeelhouder [naam] , bijgestaan door de gemachtigde van eisers. [eiser] is niet verschenen. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, bijgestaan door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] .
De zaken waarover deze uitspraak gaat zijn gevoegd. In de andere zaken is of wordt separaat van onderhavige uitspraak, uitspraak gedaan

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
10. [eiseres] is eigenaar van het pand. Het pand heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de gebiedsaanduiding ‘Kernen’. Het pand werd verbouwd, ten behoeve van de realisatie van verblijfsruimten. Daarbij is gebruik gemaakt van tijdelijke arbeidsmigranten, die (deels) beschikbaar gesteld en aangestuurd werden door [eiser] via zijn uitzendbureaus/ bedrijven. Tijdens meerdere multidisciplinaire controles van het pand in 2023 is, volgens verweerders, geconstateerd dat het pand werd gebruikt als logiesvoorziening voor meer dan vier tijdelijke arbeidsmigranten, waarvoor een exploitatievergunning op grond van de APV en een omgevingsvergunning op grond van de Wabo is vereist. Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over voornoemde vergunningen.
11. Bij de primaire APV-besluiten heeft de burgemeester aan eisers afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd om uiterlijk 21 augustus 2023 het met artikel 2:38.2, eerste lid, van de APV strijdige gebruik van het pand, door ter plaatse meer dan vier shortstay-arbeidsmigranten tijdelijk te (doen) huisvesten zonder de daarvoor vereiste exploitatievergunning, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Als eisers na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet of niet volledig aan de last voldoen, verbeuren zij afzonderlijk een dwangsom van € 117.300,- per keer dat wordt geconstateerd dat niet aan de last wordt voldaan, met een maximum van twee constateringen per week met een maximum van € 586.500,-.
12. Bij de primaire Wabo-besluiten heeft het college aan eisers afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd om de dag na bekendmaking van het besluit het met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo strijdige gebruik van het pand, door ter plaatse in strijd met artikel 28.1, onder c, van het bestemmingsplan tijdelijk arbeidsmigranten te (doen) huisvesten zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Als eisers na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet of niet volledig aan de last voldoen, verbeuren zij afzonderlijk een dwangsom van € 124.100,- per keer dat wordt geconstateerd dat niet aan de last wordt voldaan, met een maximum van twee constateringen per week met een maximum van € 620.500,-.
13. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 november 2023 [6] , de verzoeken om voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen.
14. In de bestreden APV-besluiten heeft de burgemeester – onder verbetering van de motivering en in afwijking van het advies van de bezwaarcommissie – de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
15. In de bestreden Wabo-besluiten heeft het college – onder overneming van het advies van de bezwaarcommissie – zich op het standpunt gesteld dat huisvesting van arbeidsmigranten, zijnde wonen, in strijd is met artikel 28.1 van het bestemmingsplan, omdat het wonen niet gebeurt binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ en wonen enkel mogelijk is in combinatie met woonzorgeenheden en bijbehorende voorzieningen, waarvan in dit geval geen sprake is.
De beroepen van [eiseres] tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaren
16. Door [eiseres] is beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaren door verweerders. Inmiddels hebben verweerders ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft een beslissing genomen op het bezwaar van [eiseres] Verweerders hebben verder aan [naam klooster] een dwangsom toegekend. Ter zitting heeft [eiseres] meegedeeld het eens te zijn met de hoogte van de aan haar toegekende dwangsommen. Dit betekent dat de beroepen van [eiseres] gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerders, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens het vervallen van het procesbelang. Voor zover de beroepen gericht zijn tegen de alsnog genomen besluiten [7] worden deze hierna behandeld.
Het verslag van de hoorzitting
17. Eisers hebben in zowel de zaken over de APV-besluiten als de Wabo-besluiten aangevoerd dat geen sprake is van een deugdelijk verslag van de hoorzitting als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Awb [8] , omdat het verslag zeer beknopt is, terwijl eisers uitgebreid zijn ingegaan op de uitspraak van de voorzieningenrechter zonder dat daarover iets is opgenomen in het verslag.
18. De rechtbank leidt uit hetgeen eisers naar voren hebben gebracht af dat er een uitgebreide hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden ten overstaan van de gemeentelijke adviescommissie, dus dat in zoverre geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank is verder geen sprake van strijd met artikel 7:7 van Pro de Awb. Op grond van vaste rechtspraak [9] hoeft het verslag immers geen letterlijke weergave te bevatten van wat partijen tijdens de hoorzitting naar voren hebben gebracht. Het verslag kan ook een zakelijke en dus verkorte weergave inhouden. Eisers hebben niet onderbouwd aangevoerd dat de verslaglegging in het advies geen zakelijke weergave inhoudt van wat zij in essentie tijdens de hoorzitting naar voren hebben gebracht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De APV-besluiten
Toetsingskader
19. In artikel 2:38.2, eerste lid, van de (ten tijde van het bestreden APV-besluit geldende) APV is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een logiesvoorziening te gebruiken voor de huisvesting van meer dan vier shortstay-arbeidsmigranten.
20. In artikel 2:38.1 van de APV is bepaald dat onder shortstay-arbeidsmigranten wordt verstaan: “
personen die hun vaste woon-of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of een tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn voor maximaal 9 maanden. Onder shortstay-arbeidsmigranten worden tevens verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten”.
Is sprake van strijd met de APV?
21. Als eerste moet de rechtbank de vraag beantwoorden of sprake is van een overtreding van de APV
.Eisers voeren aan dat dit niet het geval is. In dit verband stellen zij onder meer dat uit geen van de controles blijkt van de vaststelling van de vaste woon- of verblijfplaats van de aangetroffen personen. Ook is volgens eisers niet gebleken dat de (aangetroffen) personen een EU-paspoort/tewerkstellingsvergunning hadden en maximaal negen maanden in Nederland werkzaam zijn.
22. De burgemeester heeft zich op grond van de zich in het dossier bevindende controlerapportages op het standpunt gesteld dat voldoende vaststaat dat in het pand meer dan vier shortstay-arbeidsmigranten waren gehuisvest die voldoen aan de definitie van artikel 2:38.1 van de APV zonder dat daarvoor een (exploitatie) vergunning is verleend zoals bedoeld in artikel 2:38.2, eerste lid, van de APV.
23. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester op grond van de zich in de dossiers bevindende rapportages van de uitgevoerde controles en de verklaringen van de daar aangetroffen personen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt (ook niet in onderlinge samenhang bezien) dat – meer dan vier – van die personen hun vaste woon-of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en evenmin dat die personen maximaal negen maanden legaal in Nederland werkzaam zijn of waren. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit voormelde rapportages niet blijkt dat aan de in het pand aangetroffen buitenlandse personen is gevraagd wat hun vaste woon- of verblijfplaats is en ook niet hoe lang zij in Nederland werkzaam zijn en dat deze gegevens ook anderszins niet zijn gebleken.
23.1.
Met betrekking tot de stelling van de burgemeester dat op het door de Arbeidsinspectie (NLA) gebruikte inlichtingen- en verhoorformulier door diverse ondervraagden onder “adres in eigen land” een adres buiten Nederland is ingevuld, overweegt de rechtbank dat deze formulieren (op één deels ‘weggelakt’ formulier na) zich niet bij de stukken bevinden. Namens de burgemeester is weliswaar ter zitting aangevoerd dat deze formulieren alsnog kunnen worden overgelegd met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, maar de rechtbank heeft daartoe vanuit oogpunt van goede procesorde geen gelegenheid meer geboden, ook omdat deze formulieren niet doorslaggevend zijn. Op grond van de rechtspraak [10] volgt immers dat het feit dat personen (ook) een adres in het buitenland opgeven, niet maakt dat daarmee kan worden aangenomen dat zij duurzaam woongebruik (vaste woon- of verblijfplaats) ter plaatse hebben.
23.2.
Het ‘adres in eigen land’ zegt bovendien niets over de vraag hoe lang deze personen in Nederland werken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit ook niet worden afgeleid uit de verklaringen van de ondervraagde personen. Dat zij tijdelijk in het pand verbleven, variërend van enkele dagen tot enkele maanden, in verband met de verrichting van verbouwwerkzaamheden zegt niets over de periode dat zij (elders) in Nederland verblijven en werken.
24. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een overtreding van de APV. Dat betekent ook dat onvoldoende aannemelijk is dat de burgemeester bevoegd was om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond van eisers slaagt derhalve en daarmee zijn de beroepen tegen de bestreden APV-besluiten gegrond. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eisers gericht tegen de APV-besluiten.
De Wabo-besluiten
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
25. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluiten van 16 augustus 2023 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
26. In artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
27. In artikel 28.1 van de regels van het bestemmingsplan staat:

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘Kernen’ zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden bestemd voor:
a. bijzondere doeleinden.
(…)
c. zover het betreft het voormalige [naam klooster] voor woonzorgeenheden en woondoeleinden en bijbehorende voorzieningen zoals ontmoetingsruimten, fitness, gezondheidscentrum, logieseenheden en ondergrondse parkeervoorzieningen.
(…)
28. In artikel 1.47 van de bestemmingsplanregels is bepaald dat onder ‘bijzondere doeleinden’ wordt verstaan: “
doeleinden ten behoeve van onderwijs, openbaar bestuur, religieuze functies, zorg, medisch-sociale-functies waaronder ook begrepen dagopvang met woonfunctie, tevens zorgeenheden voor zover het betreft het voormalige [naam klooster] , maatschappelijke en culturele functies”.
Is sprake van strijd met het bestemmingsplan?
29. Ook hier moet de rechtbank de vraag beantwoorden of sprake is van een overtreding. Eisers stellen dat het geconstateerde gebruik van het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan en voeren daartoe onder meer aan dat geen sprake was van logiesgebruik, maar van woongebruik en dat dit op grond van het bestemmingsplan is toegestaan nu de gronden mede zijn bestemd voor woondoeleinden. Dit volgt volgens eisers uit de letterlijke tekst van de regeling en uit de plansystematiek, alsmede uit de toelichting bij het bestemmingsplan “Kernen 2010” waarin deze regeling reeds was opgenomen.
30. Het college stelt zich op het standpunt dat woondoeleinden uitsluitend zijn toegestaan als dit ‘maatschappelijk’ is overeenkomstig de bestemming waarbinnen woondoeleinden zijn toegestaan. Daarnaast stelt het college dat ‘woondoeleinden’ in de betreffende planregel niet op zichzelf staat, maar dat door tweemaal het koppelwoord ‘en’ te gebruiken de planwetgever voor ogen had dat al deze functies moeten worden gerealiseerd. Wonen is derhalve enkel mogelijk in combinatie met woonzorgeenheden en bijzondere voorzieningen, aldus het college.
31. De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 28.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten is toegestaan in het pand. Op grond van vaste rechtspraak moet een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd, tenzij de planregel onvoldoende duidelijk is. Dan kan op grond van de plansystematiek of toelichting bij het bestemmingsplan tot een andere uitleg worden gekomen. [11] De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de planregel voldoende duidelijk is. Welke functies zijn toegestaan op gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ volgt uit de bestemmingsomschrijving. Uit de tekst daarvan blijkt dat de voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden (mede) bestemd zijn voor woondoeleinden, voor zover dit het voormalige [naam klooster] betreft. In de tekst staat niet dat het gebruik van het pand voor woondoeleinden alleen zou zijn toegestaan in combinatie met de functies woonzorgeenheden en bijbehorende voorzieningen, zoals het college stelt. Als bedoeld zou zijn dat uitsluitend een combinatie van deze functies is toegestaan, waarbij het een niet zonder het ander is toegestaan, dan zou dit taalkundig als zodanig moeten zijn weergegeven, door bijvoorbeeld zinsconstructies als “uitsluitend in combinatie/samenhang met” of “en bijbehorende woondoeleinden”. Uit het gebruik van het woord ‘en’ kan niet meer worden afgeleid dan dat sprake is van een opsomming van functies die zijn toegestaan. De uitleg die het college voorstaat is bovendien niet logisch omdat woonzorgeenheden (ook zonder toevoeging ‘en woondoeleinden’) wonen in combinatie met zorg al mogelijk maken, waardoor de toevoeging ‘en woondoeleinden’ in die uitleg overbodig zou zijn. Voor zover het college bedoelt dat de realisatie van bij wijze van spreken één of enkele woonzorgeenheden zou maken dat daarnaast wel zelfstandige woondoeleinden in het klooster mogelijk zou zijn, kan de rechtbank die uitleg evenmin volgen nu een dergelijke voorwaardelijke verplichting – woondoeleinden zijn uitsluitend toegestaan indien ook woonzorgeenheden worden gerealiseerd – niet uit de regels volgt.
32. Verder overweegt de rechtbank dat ‘woondoeleinden’ niet is gedefinieerd in de planregels. Bij de uitleg daarvan moet daarom op grond van vaste rechtspraak [12] aansluiting worden gezocht bij het normale spraakgebruik, waarin ‘woondoeleinden’ betekent "bedoeld voor wonen". In dat normale spraakgebruik worden onder ‘wonen’ diverse uiteenlopende vormen van huisvesting begrepen. Daaronder valt ook kamerbewoning door arbeidsmigranten. ‘Wonen’ vereist wel een zekere duurzaamheid, maar een verblijf korter dan zes maanden kan op zichzelf ook voldoende duurzaam zijn. [13] De stelling van het college dat de korte verblijfsduur in dit geval maakt dat geen sprake is van wonen kan gelet daarop niet worden gevolgd. Niet gebleken is dat in dit geval sprake is van een zodanig korte verblijfsduur dat niet van wonen zou kunnen worden gesproken.
33. Terzijde merkt de rechtbank op dat ook uit de systematiek van het bestemmingsplan geen andere uitleg volgt. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn diverse functies mogelijk gemaakt, zoals vakantieappartementen (binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie’: artikel 28.1 onder h), wonen (artikel 28.1 onder m) en verblijfsrecreatie (binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – verblijfsrecreatie’, artikel 28.1 onder o), zodat de uitleg dat enkel ‘zuiver maatschappelijke functies’ zijn toegestaan binnen deze bestemming niet opgaat. Artikel 28.1 onder c (de maatbestemming voor het klooster) moet bovendien iets toevoegen aan hetgeen al onder a (bijzondere doeleinden) is geregeld, en dat zijn met name de woondoeleinden en daarnaast de (bij woonzorgeenheden en woondoeleinden) bijbehorende voorzieningen. De rechtbank kan verder moeilijk volgen dat, zonder dat dit uit de begripsbepalingen of bestemmingsomschrijving volgt, onder ‘woondoeleinden’ in de ene bestemming iets anders moet worden begrepen dan in de andere bestemming (zoals de bestemming ‘Gemengd’, waar ook woondoeleinden zijn toegelaten).
In de toelichting bij het bestemmingsplan is niets opgenomen over de bestemming van het klooster, zodat zelfs als zou worden toegekomen aan een uitleg conform de bedoeling van de bestemmingsplanwetgever, er geen aanknopingspunten zijn voor een andere bedoeling dan rechtstreeks uit de planregels volgt.
34. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten in het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat dus geen sprake was van een overtreding. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Deze beroepsgrond van eisers slaagt derhalve en daarmee zijn de beroepen tegen de bestreden Wabo-besluiten gegrond. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eisers gericht tegen de Wabo-besluiten.

Conclusie en gevolgen

35. De beroepen tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar zijn niet-ontvankelijk.
36. De rechtbank is van oordeel dat verweerders niet bevoegd waren om onderhavige lasten onder dwangsom op te leggen. De daartegen gerichte beroepen van eisers zijn dus gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden APV- en Wabo-besluiten. De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij de primaire APV- en Wabo-besluiten herroept.
37. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerders aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Dat is 2x € 187,- = € 374,-voor zaaknummers 24/1112 en 24/3008 en 2x € 371,- = € 742,- voor zaaknummers 24/645 en 24/1112.
38. De rechtbank veroordeelt verweerders in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal: € 1.998 + € 2.802 = € 4.800,- (2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in de bezwaarfase, met een waarde per punt van € 666,-, en 2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1), te betalen aan eisers gezamenlijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen tegen de lasten onder dwangsom gegrond;
  • vernietigt de bestreden APV- en Wabo-besluiten;
  • herroept de primaire APV- en Wabo-besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
  • draagt verweerders op het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt verweerders in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. J.R.N. Crombaghs, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026
de griffier is verhinderd
voorzitter
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze verzoeken zijn bij de rechtbank bekend onder de zaaknummers: zaaknummers: ROE 23/2197, ROE 23/2198, ROE 23/2199 en ROE 23/2200
3.Deze beroepen staan bekend onder de zaaknummers : ROE 24/645 (wat betreft het primaire APV-besluit) en ROE 24/1112 (wat betreft het primaire Wabo-besluit)
4.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Deze beroepen staan bekend onder de zaaknummers : ROE 24/3008 (wat betreft het APV-besluit) en ROE 24/2562 (wat betreft het Wabo-besluit)
7.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
8.Ingevolge artikel 7:7 van Pro de Awb wordt van het horen een verslag gemaakt.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:163, r.o. 23.1.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2761, r.o. 5.3.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:140, r.o. 5.1.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4147, r.o. 6.2.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2206, r.o. 7.3.