ECLI:NL:RBLIM:2026:2870
Rechtbank Limburg
- Bodemzaak
- Van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bewindvoerder bij beëindiging arbeidsovereenkomst onder beschermingsbewind
Sinds 13 juli 2020 was eiseres in dienst bij gedaagde en sinds 4 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Op 1 maart 2024 werd beschermingsbewind ingesteld over haar goederen, waaronder haar loonrechten, met Limburg Bewind als bewindvoerder. Gedaagde stuurde op 4 oktober 2024 een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die eiseres ondertekende, maar zonder medewerking van de bewindvoerder.
Limburg Bewind stelde dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was omdat alleen de bewindvoerder bevoegd is tot het aangaan van dergelijke overeenkomsten. Gedaagde betwistte dit en stelde dat de bewindvoerder impliciet had ingestemd. De rechtbank oordeelde dat gedaagde op de hoogte was van het bewind en dat de overeenkomst daarom niet rechtsgeldig was gesloten. De vernietiging van de overeenkomst door de bewindvoerder was terecht.
Gevolg is dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 oktober 2024 is geëindigd en dat gedaagde het loon moet doorbetalen tot het einde van de loondoorbetalingsperiode. De vorderingen tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, salarisspecificaties en incassokosten werden toegewezen. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.
Uitkomst: De vaststellingsovereenkomst is vernietigd, de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan en gedaagde moet het loon doorbetalen.