Beoordeling door de rechtbank
5. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat deze zaak over en wat vinden partijen?
6. Het CBR heeft eiser een EMG opgelegd nadat hij bij een politieachtervolging afwijkend rijgedrag had vertoond. Het CBR heeft eiser vervolgens uitgenodigd zijn cursus in te plannen. Nadat hij daar niet op gereageerd heeft, heeft het CBR de cursus voor hem ingepland met 28 juni 2025 als startdatum. Eiser is op die dag niet verschenen en heeft zich ziek gemeld. Op 8 juli 2025 heeft het CBR eiser een brief gestuurd waarin hem de mogelijkheid werd geboden tot 15 juli 2025 een nieuwe cursus in te plannen. Omdat eiser opnieuw niet reageerde heeft het CBR op 17 juli 2025 zelf een nieuwe cursus gepland met als startdatum 2 september 2025. Het CBR heeft hem daarvoor per brief opgeroepen (de oproep). Deze brief is volgens het CBR zowel per aangetekende post als per gewone post verzonden en daarnaast digitaal aangeboden. Eiser is ook op deze cursus niet verschenen. Op 4 september 2025 heeft hij contact opgenomen met het CBR. Uit de door het CBR overgelegde telefoonnotitie en de e-mail van eiser aan het CBR van 5 september 2025 volgt dat eiser belde om de cursus in te plannen. Eiser heeft hierna per e-mail aangegeven dat hij de oproep voor de cursus niet heeft ontvangen en dat hij bovendien niet had kunnen komen die dag omdat hij school had. Het CBR gaf daarop aan dat het de oproep aan eiser heeft verstuurd en dat ze school niet als geldige reden ziet voor afwezigheid. Het CBR heeft daarom eisers rijbewijs op 8 september 2025 ongeldig verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan zijn EMG.
7. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 oktober 2025 een voorlopig oordeel gegeven. De voorzieningenrechter heeft – kort samengevat – geoordeeld dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep bij eiser bezorgd is met de niet-aangetekende post of regelmatig is aangeboden met de aangetekende post. Het CBR heeft geen verzendadministratie overgelegd voor de niet aangetekende post en uit de Track&Trace gegevens blijkt niet dat PostNL, nadat bezorging bij eiser niet gelukt is, een afhaalbericht heeft achtergelaten. De voorzieningenrechter heeft daarom de ongeldigverklaring van het rijbewijs opgeschort tot twee weken na de (op dat moment nog te nemen) beslissing op bezwaar.
8. Volgens het CBR is de oproep op correcte wijze bij eiser aangeboden. Uit de PostNL-gegevens blijkt dat eiser in kennis is gesteld dat hij de oproep bij het PostNL-punt moest ophalen. Verder heeft het CBR de oproep ook gezet in eisers ‘MijnCBR’, eisers persoonlijke digitale omgeving bij het CBR.
9. Eiser stelt dat hij heeft de oproep nooit heeft gehad. Door het bezwaar onterecht ongegrond te verklaren kan eiser geen schadevergoeding verzoeken en heeft het CBR eiser onterecht geen proceskostenvergoeding toegekend.
10. De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft. Het CBR heeft het primaire besluit namelijk ambtshalve herroepen. Eiser heeft daarnaast inmiddels de EMG-cursus succesvol afgerond.
11. Als eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep (procesbelang) dan is het beroep niet-ontvankelijk. Om te beoordelen of eiser een procesbelang heeft kijkt de rechtbank of eiser met het beroep nog kan bereiken wat hij met het beroep wil bereiken en of dat voor hem van feitelijke betekenis is. Een principieel belang alleen levert geen procesbelang op.Echter een procesbelang kan ook bestaan als eiser schadevergoeding wil vorderen en het daarvoor van belang is om vast te stellen dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Om op basis daarvan procesbelang aan te nemen is het nodig dat het tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiser schade heeft geleden ten gevolge van het besluit.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft. Eiser heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de besluitvorming. Eiser heeft ongeveer vier weken niet mogen rijden. Dat ziet op de periode tussen het primaire besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter. Eiser werkt als ZZP’er als bezorger en gebruikt voor dat werk zijn auto. Eiser heeft stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij werk heeft misgelopen omdat hij tijdelijk niet beschikte over een geldig rijbewijs. Bij die stukken zit ook een Whatsappgesprek waarin eiser aangeeft graag een bepaalde aangeboden klus te doen maar dat hij niet beschikt over privévervoer waardoor hij eerder moet vertrekken. De potentiële opdrachtgever heeft daarop aangegeven dat dit niet mogelijk is en dat hij opzoek is naar mensen die een hele dienst kunnen werken. Met die stukken maakt eiser tenminste tot op zekere hoogte aannemelijk dat hij werk heeft misgelopen door het niet mogen rijden in die periode en dus schade heeft geleden in de vorm van gemiste inkomsten. De stelling van het CBR dat eiser de schade niet concreet heeft gemaakt doet daar niet aan af. Verdere concretisering dan door eiser is gegeven is niet nodig om tot op zeker hoogte aannemelijk te maken dat eiser schade heeft geleden ten gevolge van het besluit.
Het inhoudelijke oordeel van de rechtbank
13. In de kern gaat het in deze zaak over de vraag of eiser de oproep van 17 juli 2025 voor de cursus op 2 september 2026 heeft ontvangen. Het is in beginsel aan het CBR om aannemelijk te maken dat de oproep bij eiser is bezorgd of regelmatig is aangeboden. Het CBR stelt dat de oproep op drie manieren bezorgd is; aangetekende post, niet-aangetekende post en elektronisch. De rechtbank beoordeelt hieronder of het CBR daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep bij eiser bezorgd is of regelmatig is aangeboden.
De niet-aangetekende post
14. Wanneer een geadresseerde stelt dat hij, zoals eiser in deze zaak, een brief die met niet-aangetekende post is verstuurd niet heeft gekregen, is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van geadresseerde is ontvangen.
15. De rechtbank is van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de per niet-aangetekende post verstuurde oproep bij eiser bezorgd is. De rechtbank stelt vast dat het CBR in beroep geen bewijs heeft ingebracht om aannemelijk te maken dat de niet-aangetekende verstuurde oproep correct bij eiser is aangekomen. Zeker gelet op de bekende recente problemen rondom de bezorgen van (aangetekende) post bij PostNL,zijn de stellingen dat de brief niet retour is gekomen en andere brieven wel ontvangen zijn daarvoor niet voldoende.
16. Bij aangetekende post geldt dat als een geadresseerde de ontvangst van de post ontkent onderzocht moet worden of PostNL de post op regelmatige wijze heeft aangeboden. Als blijkt dat de post is uitgereikt of een afhaalbericht is achtergelaten of elektronisch is verstuurd, dan ontstaat er een vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden. Het is dan aan de geadresseerde om dat vermoeden te ontzenuwen.
17. De rechtbank stelt vast dat uit de Track&Trace gegevens blijkt dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep niet heeft kunnen uitreiken op het adres van eiser. Ook volgt eruit dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep naar een PostNL-punt heeft gebracht en dat deze is teruggestuurd naar het CBR nadat deze niet is opgehaald. Er blijkt echter niet uit de Track&Trace gegevens of andere stukken dat er een afhaalbericht is achtergelaten. Ook blijkt niet dat eiser op een andere manier – zoals per e-mail of app – in kennis is gesteld dat hij de oproep moest afhalen bij het PostNL-punt. Daarom is, mede gelet op de bekende problemen bij PostNL, niet aannemelijk gemaakt dat er een fysiek of elektronisch afhaalbericht bij eiser is achtergelaten. De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetekende post op regelmatige wijze bij eiser is aangeboden.
De plaatsing van de brief in MijnCBR
18. Op basis van artikel 2:8, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag een bestuursorgaan elektronisch communiceren als de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt elektronisch voldoende bereikbaar te zijn. Ook voor elektronische communicatie geldt dat wanneer een geadresseerde ontkent een elektronisch verstuurd bericht te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om in eerste instantie aannemelijk te maken dat het elektronische bericht correct verstuurd is.
19. Het CBR heeft onweersproken gesteld dat eisers communicatievoorkeur bij het CBR als ‘digitaal’ is gemeld. De rechtbank is echter van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat het de oproep ook daadwerkelijk elektronisch correct verstuurd heeft. Het CBR heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd om dit te onderbouwen. De stelling van het CBR dat het niet in eisers MijnCBR zou mogen kijken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verandert het oordeel van de rechtbank niet. Die stelling verandert niet dat het aan het CBR is om aannemelijk te maken dat het de oproep correct (digitaal) aan eiser verstuurd heeft en dat het CBR daarvoor geen onderbouwing levert. De beroepsgrond van eiser slaagt.