Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
track & trace’) zegt dat PostNL het aangetekende stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een afhaalbericht heeft achtergelaten, zulks het vermoeden rechtvaardigt dat het aangetekende stuk op regelmatige wijze op het juiste adres is aangeboden en het (hoger) beroep dus niet-ontvankelijk verklaard kan worden wegens niet binnen een in dat stuk gestelde termijn voldoen aan een (hoger)beroepsvereiste (art. 8:54 Awb Pro) c.q. kan weigeren een nieuwe zitting te appointeren. Als de partij wiens (hoger) beroep aldus niet-ontvankelijk is verklaard, in verzet stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht op het juiste adres is achtergelaten, moet die partij dat aannemelijk maken. Voldoende daarvoor is volgens u dat die partij “feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van het stuk, in weerwil van de gegevens van PostNL, redelijkerwijs kan worden betwijfeld.”
2.De regels
De Algemene wet bestuursrecht
1.Universele Postdienstverlening
https://wetten.overheid.nl/BWBR0025572/2019-01-01
altijdde identiteit van de handtekeningzetter zou moeten vaststellen. Dat is echter een andere soort postdienst (legitimatie bij ontvangst). Bovendien eist dezelfde eis 68 dat de persoon die het poststuk bij niet-thuis afhaalt op het afhaalpunt zich moet identificeren als geadresseerde of diens gemachtigde. Als men bij het uitreiken/ontvangen een identificatieplicht had beoogd, dan het voor de hand hebben gelegen dit ook te expliciteren
Artikel 18Services
Artikel 12
13.1 Algemeen
Beschrijving aangetekende post
vande overheid en berichten
aande overheid. In deze vergelijking wordt daarbij uitgegaan van officiële elektronische berichten. [18]
berichtenboxvan MijnOverheid. Het tijdstip van «bezorgen» wordt daarbij vastgelegd en kan daarmee gemakkelijk worden bewezen. Problemen doen zich voor als iemand te laat in de
berichtenboxkijkt en daarmee niet tijdig op het bericht heeft gereageerd. Hierom wordt verplicht om bij het plaatsten van een bericht binnen 48 uur aan de geadresseerde een (eveneens digitale) notificatie te sturen, tenzij deze heeft laten weten geen notificaties te willen ontvangen. [19] Uit die notificatie moet het onderwerp van het bericht blijken en de termijn waarbinnen eventueel op het bericht moet worden gereageerd, zodat de ontvanger weet of een reactie spoed heeft. Als blijkt dat de notificatie niet is bezorgd, dient deze nogmaals te worden verzonden of spant het bestuursorgaan zich in om geadresseerde langs andere weg te informeren over het niet kunnen bezorgen van de notificatie en van de maatregelen die hij kan nemen om kennisgevingen te ontvangen. [20] De bewijslast van verzending en ontvangst van berichten met behulp van een
berichtenboxberust bij het bestuursorgaan. Geadresseerden hebben recht op een afschrift van de loggegevens. Als de notificatie niet is verzonden of buiten schuld van de geadresseerde niet is ontvangen, wordt de overschrijding van een termijn de geadresseerde niet tegengeworpen.
berichtenboxworden geplaatst, maar bijvoorbeeld via e-mail worden verzonden. Ook dan geldt dat de geadresseerde met deze wijze van verzenden moet hebben ingestemd. [21] Een dergelijke praktijk wordt overigens uit veiligheidsoverwegingen ontraden, zeker bij belangrijke berichten. In een dergelijk geval geldt dat een e-mail die als niet-bezorgd retour komt, als niet verzonden wordt beschouwd. Er zijn voor de ontvanger geen termijnen gaan lopen.
berichtenboxkunnen verzending en ontvangst worden aangetoond met behulp van de loggegevens. De ontvanger krijgt een notificatie als er een bericht voor hem is geplaatst (of het bericht dat notificaties niet meer kunnen worden bezorgd). Het niet reageren hierop komt voor rekening van de ontvanger.
berichtenboxbijvoorbeeld als een notificatie ongelezen blijft zonder dat dit door het bestuursorgaan wordt opgemerkt.”
Aansprakelijkheid aangetekende brieven
3.Gebrekkige bezorging van aangetekende poststukken
Ars Aequivan april 2014 publiceerde Damen [33] een kritisch artikel over aangetekende postverzending naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS of Afdeling) in een vreemdelingenzaak (
AB2014/156). [34] Hij heeft bij PostNL informatie opgevraagd en het concept van zijn artikel is door PostNL gelezen. Zijn kritiek betreft structurele zwaktes inherent aan de aangetekende verzending van post. De genoemde zaak
AB2014/156 betrof een vreemdeling die klaagde dat de rechtbank ten onrechte de overschrijding van de beroepstermijn onverschoonbaar had geacht op basis van de opvatting dat de weigering van het aangetekend verzonden besluit op het adres van de vreemdeling voor diens rekening en risico kwam. De vreemdeling stelde dat het poststuk was geweigerd door zijn huisbaas en dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor diens handelen. De Afdeling oordeelde dat daarmee onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om de weigering van het aangeboden poststuk in dit geval niet voor rekening van de vreemdeling te brengen. De vreemdeling kreeg dus geen toegang tot de rechter. Damen schreef naar aanleiding daarvan onder meer het volgende:
insen
outszijn van het aangetekend verzenden heb ik bij PostNL informatie over haar beleid opgevraagd. De woordvoerder van PostNL is zo vriendelijk geweest een tiental door mij gestelde vragen accuraat te (laten) beantwoorden. Op verzoek van PostNL heb ik het concept door de woordvoerder laten ‘tegenlezen’. Dit heeft geleid tot enkele verduidelijkingen en verbeteringen. Citaten tussen aanhalingstekens hieronder zonder verdere verwijzing komen van PostNL.
day in court, voor een geschil over een besluit waarvan zijn bestaan afhangt, niet. Ik ben nog aan het nadenken over wat dit zegt over het mensbeeld (van de leden en staatsraden) van de Afdeling bestuursrechtspraak.
conclusie. In het kader van twee conclusies in belastingzaken die ik voorbereid benader ik PostNL voor informatie over de aankomstscore van aangetekende poststukken en de betekenis daarvan voor de aangetekende verzending van processtukken door de rechtspraak. In beide zaken stellen de betrokken belastingplichtigen dat zij aangetekend door de rechtbank of het hof aan hen verzonden processtukken nooit hebben ontvangen.
Radar (Avrotros) (https://radar.avrotros.nl/artikel/aangetekende-brieven-nog-steeds-fout-geleverd-postnl-past-beleid-aan-na-onderzoek-radar-54876)nam in 2023 twee keer de proef op de som. In maart en in september stuurde Radar twintig aangetekende brieven naar mensen die niet thuis waren. In maart ging dat vier keer goed en in september zes keer goed, dat wil zeggen dat de brief naar een afhaalpunt wordt gebracht en de bewoner een briefje in de bus kreeg. In september belandde 70% van de brieven zonder handtekening van de ontvanger in de brievenbus. De ontvangstbewijzen waren wel ondertekend, maar niet door de ontvanger. Soms was de sticker ‘aangetekend’ van de brief gescheurd.
cijfers (https://www.postnl.nl/klantenservice/bezorging-en-ontvangst/kwaliteit-postbezorging/)die ik vond hebben betrekking op consumentenpost en zakelijke post en lijken de kwaliteitseis van art. 4a van het Postbesluit 2009 te toetsen. Mijn vraag is of er ook gegevens/cijfers zijn die specifiek betrekking hebben op de aangetekende verzending van poststukken, met name op de correcte-aanbiedingsscore?
nieuwsbericht (https://www.postnl.nl/over-postnl/pers-nieuws/nieuws/nieuw-bezorgproces-voor-aangetekende-post/)van 1 oktober 2023 (gepost om 22:28) constateert PostNL dat de kwaliteit van de bezorging van aangetekende post onvoldoende is geweest. PostNL gaat daarom een apart netwerk inrichten voor de bezorging van aangetekende post. Dat lijkt te impliceren dat de gebrekkige kwaliteit met name veroorzaakt wordt door de huidige vorm van postbezorging (de duizenden bezorgers die elke dag slechts een paar aangetekende stukken bezorgen). Die manier van bezorgen bestaat naar ik begrijp al geruime tijd; op welke periode doelt de constatering dat de kwaliteit van de bezorging van aangetekende post onvoldoende is geweest?
AVG 2022 (https://www.postnl.nl/Images/av-goederenvervoer-postnl-2022_tcm10-219163.pdf)en
AVuP 2019 (https://www.postnl.nl/Images/algemene-voorwaarden-universele-postdienst_tcm10-9614.pdf)). Klopt de hiernavolgende omschrijving?
De kwaliteitseis
Bewijsvermoedens en bewijslastverdeling bij gestelde niet-ontvangst van aangetekende post
ABKort2014/340 [47] de stelling van de appellant dat hij boven een winkel woonde waar wel vaker poststukken niet aankwamen. De Afdeling ging er daarom vanuit dat de appellant had verzuimd de aangetekend verzonden uitspraak van de Rechtbank af te halen bij TNT Post, hetgeen voor zijn risico komt. De griffier van de Rechtbank had bovendien op de voet van art. 8:38(1) Awb het afschrift van de uitspraak nogmaal per gewone post verzonden. De Afdeling hield het er daarom voor dat de uitspraak van de rechtbank regelmatig aan appellant’s adres was aangeboden.
AB2014/263 [50] betrof een herzieningsverzoek op de grond dat de appellante niet in staat was gesteld ter zitting haar standpunt toe te lichten omdat de uitnodiging voor de zitting niet was ontvangen door haar gemachtigde. De CRvB achtte inderdaad haar recht op een eerlijk proces geschonden, nu een handtekening voor ontvangst ontbrak:
BNB2021/97 [52] betrof een belanghebbende wier beroep niet-ontvankelijk was verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. U detailleerde uw eerdere rechtspraak als volgt:
BNB2022/33 een in Polen wonende belastingplichtige. De inspecteur stuurde op 9 november 2000 een correctievoornemen zowel per normale post als aangetekend naar het adres dat de belanghebbende had doorgegeven. Op de per gewone post verzonden brief kwam geen reactie; de aangetekend verzonden brief werd op 28 november 2000 als onbestelbaar retour ontvangen. De inspecteur corrigeerde belanghebbendes inkomen en legde dienovereenkomstig een aanslag IB/PVV 1997 op. Op 7 december 2000 werd ook dat aanslagbiljet, gedagtekend 29 december 2000, aangetekend verstuurd naar het door de belanghebbende opgegeven Poolse adres, maar ook die zending kwam onbestelbaar retour. Ook de aangetekend verstuurde aanmaning tot betaling van de aanslag kwam onbestelbaar retour. In geschil voor het Hof was of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar was. Het Hof meende van wel, ondanks de correcte bekendmaking door toezending aan het juiste adres, omdat de inspecteur, nadat hij het aanslagbiljet als onbestelbaar retour had ontvangen, geen navraag had gedaan naar de postbezorging en geen stappen had ondernomen om het aanslagbiljet alsnog ter kennis van de belanghebbende te brengen. In cassatie was de ontvankelijkheid van het bezwaar niet meer in geschil, maar ging het nog om de vraag of de aanslag binnen de driejaarstermijn van art. 11(3) AWR op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Het Hof had geoordeeld van wel. U was het daarmee eens:
BNB2022/33 ging het niet, anders dan in de eerder geciteerde zaken, om toegang tot de rechter: het ging niet om de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar was (dat was niet meer in geschil), maar om de vraag of de aanslag correct was bekendgemaakt. Grauss (noot in
FED2022/30) vergelijkt HR
BNB2022/33 met uw boven (4.6) geciteerde arrest van 10 juli 2015 en met de in 4.1 hierboven geciteerde rechtspraak van de Afdeling. Hij merkt mijns inziens terecht op dat tijdige vaststelling en bekendmaking van een aanslag (art. 11(3) AWR) een andere kwestie is dan de vraag naar de tijdige instelling van bezwaar of beroep (ik laat voetnoten weg):
5.Beschouwing
nietis gebeurd; het is nog moeilijker om te bewijzen dat iets niet is gebeurd als het geautomatiseerde systeem van de enige Nederlandse UPD-verlener ten onrechte vermeldt dat het wél gebeurd zou zijn.
track & tracegegevens en de in werkelijkheid gebrekkige bezorging van aangetekende post. De tegenbewijsregel die u in HR
BNB2021/97 stelde (zie 4.3 hierboven) kan moeilijk nog soepeler. Voor ontzenuwing van het bewijsvermoeden is immers niet vereist dat de partij die de ontvangst van een aangetekend stuk ontkent aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. U acht voldoende “dat die partij feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van het stuk, in weerwil van de (…) gegevens van PostNL, redelijkerwijs kan worden betwijfeld”. Er moet dus weliswaar meer zijn dan een blote ontkenning van de
track & tracegegevens, maar de feitenrechter heeft een grote vrijheid om een ook maar enigszins aannemelijke weerspreking van die gegevens als voldoende tegenbewijs aan te merken als hij de betrokken procespartij als geloofwaardig beschouwt c.q. hij reden heeft om aan die gegevens, met name aan de herkomst van de handtekening op het ontvangstbewijs te twijfelen. Ik meen dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van een ontvangst-ontkennende partij en van de mogelijke twijfel aan de handtekening in de
track & tracegegevens, geheel aan de feitenrechter te laten ware en dat aan diens oordeel op die punten weinig motiveringseisen te stellen waren.