ECLI:NL:RBLIM:2026:4240

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROE 22/845
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 7:4 AwbArt. 8:42 AwbArt. 15 AVGArt. 64 lid 1 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep inzake inzage persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening en schadevergoeding termijnoverschrijding

Eiser verzocht de minister van Financiën om inzage in zijn persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en wilde weten met wie deze gegevens zijn gedeeld. De minister wees het verzoek deels af, waarna eiser bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde dat eiser geen recht heeft op de gevraagde screenprints van zijn FSV-registratie, omdat deze geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben volgens artikel 8:42 van Pro de Awb en de AVG.

Eiser stelde dat de minister onvolledig inzage had gegeven en dat gegevens onrechtmatig met derden waren gedeeld. De rechtbank vond echter geen concrete aanwijzingen dat persoonsgegevens van eiser met andere instanties waren gedeeld en verwierp deze stellingen. Ook het beroep op discriminatie en profilering faalde omdat eiser het standpunt van de minister niet gemotiveerd bestreed.

Daarnaast verzocht eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor uitspraak. De rechtbank stelde vast dat de termijn van meer dan twee jaar was overschreden en kende een vergoeding van € 2.500,- toe, te betalen door de Staat der Nederlanden. Tevens werd een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend voor het schadevergoedingsverzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/845

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. J.L. Lam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser [1] tegen het besluit van de minister van 29 maart 2022 (het bestreden besluit). Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluit op het inzageverzoek van eiser van 7 oktober 2021 gebleven. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen.
1.1
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 22 januari 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
2. Na de sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden daarvoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening).
3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaak kan leiden gelet op de vragen die in deze zaak voorliggen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging aan het instellen van het beroep vooraf?
4. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV, met wie zijn persoonsgegevens in de FSV zijn gedeeld en de reden voor afwijzing van de giftenaftrek bij de aangifte inkomstenbelasting 2015. De minister heeft het inzageverzoek opgevat als een verzoek om inzage van persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek deels afgewezen. Voor de persoonsgegevens in de FSV heeft de minister verwezen naar het besluit van
13 augustus 2021 op het inzageverzoek van eiser van 18 juni 2021. De minister heeft verder toegelicht met wie de Belastingdienst gegevens deelt en op welke gronden dit gebeurt. De minister heeft ook aangegeven wat de reden is geweest om de giftenaftrek af te wijzen en dat bepaalde gegevens niet aan eiser worden verstrekt bijvoorbeeld omdat het gegevens van derden zijn, gegevens waarop beperkingen van de AVG van toepassing zijn of vanwege het feit dat het geen persoonsgegevens zijn. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft de minister op het bezwaar beslist zoals aangegeven onder 1.
Wat voert eiser in de beroepszaak aan en slaagt dit?
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde
5. Eiser voert aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van Pro de Awb en verzoekt de rechtbank daarom het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank heeft gezien dat de minister het besluit op het inzageverzoek aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser tijdig beroep heeft ingesteld. Eiser is door de bekendmaking van het bestreden besluit aan hemzelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast het bestreden besluit, waarmee de minister is gebleven bij de gedeeltelijke afwijzing van het inzageverzoek, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen reden het bestreden besluit te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet.
De stukken
7. In deze zaak voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Het gaat eiser om de screenprints van zijn registratie in de FSV (de screenprints). Eiser heeft veel gedoe met overheidsinstantie gehad, wil weten hoe dit kon gebeuren en vermoedt dat gegevens die in de FSV zijn opgenomen met andere instanties zijn gedeeld.
7.1
Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 [2] . Eiser vindt ook dat de minister de beginselen van fair play en equality of arms schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
8. Uit artikel 15 van Pro de AVG en vaste rechtspraak [3] over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende.
Artikel 15 van Pro de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
8.1
Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG wordt voldaan.
8.2
Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van Pro de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van Pro de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
9. Op grond van (artikel 15 van Pro) de AVG en gelet op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiser heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken.
10. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 [4] gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren.
11. Eiser is bekend dat de minister screenprints kan verstrekken. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiser daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig.
12. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 25 februari 2026 [5] nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld.
13. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb
zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 7:4 van Pro de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel
7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen. De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met de beginselen van fair play en equality of arms door eiser de screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken.
14. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiser in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiser hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiser daartegen aanvoert slaagt dus niet.
15. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan haar bevoegdheid om een onderzoek ter plaatse in te stellen en de FSV in te zien, zoals eiser vraagt.
Het delen van persoonsgegevens met ketenpartners (gemeente en UWV)
16. Eiser voert aan dat uit het PwC-rapport ‘Onderzoek Gegevensdeling met Derden’ van januari 2022 blijkt dat gegevens uit de FSV met ketenpartners werden gedeeld. Eiser geeft aan dat hij met de gemeente en het UWV problemen heeft gehad over het recht op een uitkering. Eiser vermoedt dat dit met zijn registratie in de FSV te maken heeft gehad. In bezwaar (waarnaar eiser verwijst) heeft eiser om de link tussen gemeente en Belastingdienst aan te geven naar een mailwisseling verwezen tussen de gemeente en de Belastingdienst over inzage van zijn persoonsgegevens.
17. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat nog een onderzoek loopt naar de vraag of persoonsgegevens van eiser in de FSV met andere instanties zijn gedeeld. De minister heeft in elk geval geen verzoek aangetroffen om persoonsgegevens van eiser die in de FSV staan te delen. De minister heeft ook aangegeven dat als het onderzoek uitwijst dat persoonsgegevens van eiser die in de FSV staan met andere instanties zijn gedeeld eiser daarover geïnformeerd wordt. Op de zitting heeft de minister verwezen naar een brief waarmee hij eiser geïnformeerd heeft dat het onderzoek heeft uitgewezen dat zijn persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen niet met andere instanties zijn gedeeld.
18. Wat eiser aanvoert over het delen van gegevens met derden zoals dit uit het door hem genoemde rapport blijkt en dat hij problemen heeft ondervonden met de gemeente en het UWV geeft geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de minister persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn opgenomen toch met andere instanties heeft gedeeld. De genoemde mailwisseling gaat over het opvragen van financiële gegevens op grond van artikel 64, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) en dus over het opvragen van persoonsgegevens om een besluit te kunnen nemen over een uitkering. Al in het besluit op het inzageverzoek heeft de minister eiser laten weten dat hij op grond van de Pw persoonsgegevens met gemeenten deelt. Deze mailwisseling geeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de minister persoonsgegevens van eiser die in de FSV staan met de gemeente heeft gedeeld. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat de inzage die hij heeft gekregen onvolledig is geweest slaagt dit dus niet.
Discriminatie en profilering
19. Eiser betwist dat geen sprake is geweest van discriminatie en profilering. Hij verwijst daarbij naar het PwC-rapport ‘Onderzoek Query’s aan de Poort’ van maart 2022.
20. De minister stelt zich in algemene zin op het standpunt dat bij het opnemen van belastingplichtigen in de FSV geen sprake is geweest van profilering op basis van nationaliteit en dat in het geval van eiser gegevens in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2015 aanleiding zijn geweest om de aangifte nader te onderzoeken en eiser op de nemen in de FSV.
21. De reactie van eiser op het algemene standpunt van de minister bestrijdt het concrete standpunt van de minister over de opname van eiser in de FSV niet. Het kan daarom al niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden en geeft om die reden geen aanleiding hierop verder in te gaan. Wat eiser aanvoert slaagt niet.
Het bezwaar
22. Eiser verwijst (ook overigens nog) naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd.
22. De minister heeft hierover in het bestreden besluit standpunten ingenomen. Door alleen te verwijzen naar het bezwaar heeft eiser het standpunt van de minister niet gemotiveerd bestreden. Wat eiser aanvoert slaagt daarom niet.
Het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn
24. Eiser verzoekt om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure [6] oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
25. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [7] De rechtbank gaat in deze zaak ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. [8]
26. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 10 december 2021 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister en heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding toekomt van € 2.500,-. Omdat de termijnoverschrijding aan de rechtbank is te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaak aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Het verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.500,-.

Griffierecht en proceskosten

In de beroepszaak
28. Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. Uit het stuk dat eiser heeft overgelegd is niet op te maken of hij aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht voldoet. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen.
29. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug omdat het beroep ongegrond is en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister het griffierrecht moet vergoeden. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding
30. Omdat het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moeten de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moet vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.

Beslissing

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toe tot een bedrag van € 2.500,- te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiser in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
6.Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 7.