ECLI:NL:RBLIM:2026:5772

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/03/320026 / HA ZA 23-297
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 FaillissementswetArt. 3:288 BWArt. 6:119 lid 1 BWArt. 6:37 BWArt. 7:625 BW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator is wettelijke rente en verhoging over boedelschuld aan werknemers verschuldigd en moet informeren

In deze bodemzaak vordert de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) dat de curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en wettelijke verhoging over de boedelschuld aan werknemers, alsmede tot het informeren van werknemers over hun aanspraken.

De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de verschuldigdheid van wettelijke rente en verhoging als boedelschuld, de rang van deze vorderingen en de informatieplicht van de curator. De Hoge Raad bevestigde dat wettelijke rente en verhoging over loon dat als boedelschuld geldt, ook als boedelschuld moeten worden aangemerkt. De wettelijke verhoging valt onder het preferentievoordeel van art. 3:288 sub e BW Pro, maar de wettelijke rente niet.

De rechtbank volgt de Hoge Raad en verklaart voor recht dat de curator deze bedragen moet betalen en dat hij uit hoofde van zijn taak verplicht is werknemers hierover uit eigen beweging te informeren. De curator wordt veroordeeld in de proceskosten. De vordering tot matiging van de verhoging wordt niet behandeld omdat deze niet is ingediend.

Uitkomst: De curator is gehouden wettelijke rente en wettelijke verhoging over de boedelschuld aan werknemers te betalen en hen hierover uit eigen beweging te informeren.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/320026 / HA ZA 23-297
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING FNV,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: FNV,
advocaat: mr. H.C.S. van Deijk-Amzand,
tegen
MR. [de curator] ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Curator,
advocaat: mr. T.T. van Zanten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 december 2024, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft
gesteld aan de Hoge Raad,
- de conclusie van de Advocaat-Generaal van 4 juli 2025 [1] ,
- het arrest (prejudiciële beslissing) van 13 februari 2026 van de Hoge Raad [2] ,
- de aktes uitlating naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van FNV en van
de Curator.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De vordering onder 1
2.1.
Onder 1 vordert FNV allereerst dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Curator de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex art. 40 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw). FNV vordert onder 1 tevens dat de rechtbank voor recht verklaart dat zowel de vordering ter zake van de wettelijke rente als die ter zake van de wettelijke verhoging als boedelschuld zijn te kwalificeren waaraan de preferentie van art. 3:288 sub e van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verbonden is.
2.2.
Bij tussenvonnis van 11 december 2024 heeft de rechtbank hieromtrent prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De aan de Hoge Raad hierover gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden luiden als volgt, waarbij de rechtbank voor de door de Hoge Raad gebruikte voetnoten een nieuwe nummering heeft aangehouden:
Vraag 1: wettelijke rente
2.3.
Vraag 1 luidde als volgt:
1.
Is de boedel wettelijke rente verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt en dat valt onder de aanspraken die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen?
2.4.
Antwoord van de Hoge Raad:
3.2.2
Een schuldenaar is als schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een verbintenis tot betaling van een geldsom de wettelijke rente over die geldsom verschuldigd over de tijd dat hij met de voldoening daarvan in verzuim is geweest (art. 6:119 lid 1 BW Pro).
3.2.3
Als verzuim bestaat ten aanzien van de voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, moet ook de daarmee verbonden verplichting tot betaling van wettelijke rente – die ontstaat als gevolg van niet-naleving door de curator van een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting – worden aangemerkt als boedelschuld. [3]
3.2.4
De vraag of verzuim bestaat ten aanzien van de vordering tot betaling van loon, moet worden beantwoord aan de hand van de arbeidsovereenkomst en de op verzuim toepasselijke wettelijke bepalingen. [4] Een gebrek aan geldmiddelen levert geen overmacht op. Dit geldt ook voor loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is. [5]
3.2.5
Voor het antwoord op de vraag of verzuim bestaat, is niet van belang of de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, voor de hem door de werkgever verschuldigde bedragen ook jegens het UWV recht heeft op uitkering op grond van de loongarantieregeling. Het bestaan van een aanspraak jegens het UWV rechtvaardigt niet dat de tekortkoming om het loon tijdig te voldoen, de werkgever niet wordt toegerekend.
3.2.6
Het bestaan van de loongarantieregeling vormt voor de curator niet een redelijke grond, als bedoeld in art. 6:37 BW Pro, om te twijfelen aan wie hij het loon moet betalen, en is voor hem dus geen grond voor opschorting van de op hem rustende verplichting om het loon uit te betalen.
De tweede vraag en de derde vraag: de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW Pro)
2.5.
Vraag 2 en 3 luidden als volgt:
2. Is de boedel de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld wordt aangemerkt?
3. Is voor het antwoord op vraag 2 relevant of:
a. het aanspraken betreft die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen: en/of
b. onzeker is of de boedel ten tijde van de slotuitdeling voldoende middelen zal hebben om met inachtneming van de tussen de boedelschuldeisers geldende onderlinge rangorde, de boedelschuld ex art. 40 lid 2 Fw Pro te voldoen?
2.6.
Antwoord van de Hoge Raad:
3.3.2
Art. 7:625 lid 1 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang:
“Voor zover het in geld vastgesteld loon (…) niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop (…) de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.”
3.3.3
De wettelijke verhoging is bedoeld als een prikkel voor werkgevers om het loon tijdig te betalen. [6]
3.3.4
In faillissement duurt de arbeidsverhouding zoals die voor het faillissement gold, ongewijzigd voort zolang de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd (zie hiervoor in 3.1.1). Voor zover het loon over de periode vanaf de dag van faillietverklaring niet uiterlijk op de in art. 7:625 lid 1 BW Pro bedoelde werkdag wordt voldaan, heeft de werknemer derhalve, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op de wettelijke verhoging. Voor de beoordeling of het niet-voldoen kan worden toegerekend, geldt de maatstaf van art. 6:75 BW Pro. [7] Verwijtbaarheid is voor toerekening niet vereist. Een gebrek aan geldmiddelen, dan wel onzekerheid daaromtrent zoals bedoeld in vraag 3 onder b, staat aan toerekening aan de werkgever niet in de weg (zie hiervoor in 3.2.4).
3.3.5
Als het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, niet uiterlijk op de in art. 7:625 lid 1 BW Pro bedoelde werkdag wordt voldaan, moet – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen met betrekking tot wettelijke rente – ook de daarmee verbonden verplichting tot betaling van de wettelijke verhoging worden aangemerkt als boedelschuld.
3.3.6
Voor de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging is niet van belang of voor de aanspraak op loon waarop de verhoging betrekking heeft, ook jegens het UWV aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de loongarantieregeling. Het bestaan van een aanspraak jegens het UWV laat onverlet dat het niet-voldoen de werkgever kan worden toegerekend en dat de curator niet bevoegd is met een beroep op art. 6:37 BW Pro de verplichting tot uitbetaling van het loon op te schorten (zie hiervoor in 3.2.5-3.2.6). Ook kan niet in zijn algemeenheid gezegd worden dat in faillissement de strekking van de wettelijke verhoging als prikkel tot nakoming zozeer zijn betekenis verliest dat de werknemer om die reden geen aanspraak heeft op de wettelijke verhoging met betrekking tot loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is.
De vijfde vraag: de rang van de boedelvordering
2.7.
Vraag 5 luidde:
5. Indien en voor zover het antwoord op vraag 1 en/of 2 bevestigend luidt: welke rang komt toe aan de desbetreffende vordering?
2.8.
Het antwoord van de Hoge Raad luidt als volgt:
3.5.2
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.6 en 3.3.2-3.3.6 is overwogen, volgt dat het antwoord op vraag 1 en vraag 2 bevestigend luidt en dat derhalve wordt toegekomen aan vraag 5.
3.5.3
Zowel voor wettelijke rente als voor de wettelijke verhoging die verschuldigd is met betrekking tot loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is, geldt dat de desbetreffende verplichting boedelschuld is (zie hiervoor in 3.2.3 en 3.3.5).
3.5.4
Indien het actief van de boedel niet toereikend is om alle boedelschulden te voldoen, moeten die schulden naar vaste rechtspraak in beginsel naar evenredigheid van de omvang van elke schuld worden voldaan, behoudens de daarvoor geldende wettelijke redenen van voorrang. [8]
3.5.5
Wettelijke redenen van voorrang zijn te vinden in titel 10 (Verhaalsrecht op goederen) van Boek 3 BW. Daartoe behoort art. 3:288 BW Pro, dat, voor zover van belang, als volgt luidt:
“De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van:
(…)
e. al hetgeen een werknemer over het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd uit hoofde van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst;
(…).”
3.5.6
Voor de invoering van art. 3:288 BW Pro in 1992 bepaalde art. 1195 (oud) BW, voor zover van belang, het volgende:
“De bevoorregte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde (…):
(…)
6°. Het loon van arbeiders over het verschenen jaar, en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag der verhoging van dat loon ingevolge artikel 1638q, alsmede het bedrag der uitgaven, door de arbeider voor de werkgever gedaan, mitsgaders de bedragen, door de werkgever aan de arbeider krachtens het bepaalde in de zevende Titel A van het Derde Boek in verband met de beëindiging der dienstbetrekking verschuldigd;
(…).”
Dit voorrecht omvatte derhalve met zoveel woorden ook de wettelijke verhoging van art. 1638q (oud) BW, de voorloper van art. 7:625 BW Pro.
3.5.7
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288 BW Pro blijkt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd en dat naar de bedoeling van de wetgever ook de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW Pro onder het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW valt. [9]
3.5.8
Wettelijke rente over loon valt niet onder art. 3:288, aanhef en onder e, BW, ook niet als dat loon op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro boedelschuld is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288, aanhef en onder e, BW blijkt niet dat het voorrecht mede betrekking heeft op wettelijke rente over loon. Wettelijke rente over loon valt evenmin onder een van de andere wettelijke voorrechten. De desbetreffende vordering is derhalve een concurrente boedelvordering.
2.9.
FNV heeft aangevoerd dat het loon in dit geval niet tijdig is voldaan. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex art. 40 lid 2 Fw Pro en dat zowel de vordering terzake de wettelijke rente als de vordering terzake de wettelijke verhoging als boedelschuld kwalificeert. Ook volgt daaruit dat aan de wettelijke verhoging wel de preferentie van art. 3:288 sub e BW Pro is verbonden, maar de wettelijke rente over loon niet valt onder art. 3:288 sub e BW Pro (en dit een concurrente boedelvordering betreft). Dit brengt mee dat de vordering onder 1 grotendeels kan worden toegewezen, met dien dat verstande dat wordt afgewezen de verklaring voor recht dat ook voor de wettelijke rente over loon geldt dat dit een boedelschuld betreft waaraan de preferentie van art. 3:288 sub e BW Pro is verbonden.
De vordering onder 2
2.10.
Onder 2 vordert FNV dat de rechtbank voor recht te verklaart dat de Curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden is werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van de wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren.
2.11.
De rechtbank heeft hieromtrent de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:
De zesde vraag: informatieplicht
6. Is een curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren?
2.12.
Het antwoord van de Hoge Raad luidt als volgt:
3.6.2
De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel (art. 68 Fw Pro). Een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator die bekend is met het bestaan van een boedelschuld waarmee, naar hij weet of grond heeft te vermoeden, de desbetreffende schuldeiser zelf niet bekend is, de schuldeiser op de hoogte stelt van de mogelijkheid om daarop jegens de boedel aanspraak te maken. Voor een geval als in deze zaak aan de orde is volstaat in dit verband een kennisgeving door de curator aan de werknemer – bijvoorbeeld ter gelegenheid van of kort na de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator – dat hij voor het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover jegens de boedel aanspraak op betaling kan maken.
2.13.
De rechtbank zal de vordering onder 2 toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat een behoorlijke taakuitoefening in dit geval meebrengt dat de Curator gehouden is werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren.
Matiging
2.14.
Partijen twisten over de vraag of er in dit geval grond is voor matiging als bedoeld in de laatste volzin van art. 7:625 lid 1 BW Pro. Omdat hierop geen vordering is gericht, zal de rechtbank op dat twistpunt verder niet ingaan.
Proceskosten
2.15.
De Curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FNV worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
109,33
- griffierecht
676,00
- salaris advocaat
979,50
(1,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.953,83

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de Curator de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex art. 40 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) en dat zowel de vordering ter zake van de wettelijke rente als die ter zake van de wettelijke verhoging als boedelschuld zijn te kwalificeren en dat aan de vordering ter zake van de wettelijke verhoging de preferentie van art. 3:288 sub e van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verbonden is,
3.2.
verklaart voor recht dat de Curator in dit geval uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden is werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro te informeren,
3.3.
veroordeelt de Curator in de proceskosten van € 1.953,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.