ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ3538
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering opgeëiste persoon aan Verenigde Staten voor zorgfraude
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 februari 2013 uitspraak gedaan over het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten. Het verzoek betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 20 maanden, opgelegd door de Amerikaanse Federale Districtsrechtbank Oostelijk district van Michigan wegens zorgfraude en het factureren van niet verrichte diensten.
De rechtbank heeft de stukken, waaronder het uitleveringsverzoek, het vonnis van de Amerikaanse rechtbank en de relevante wetsbepalingen, zorgvuldig bestudeerd. Tijdens de zitting op 7 februari 2013 zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord. De raadsman voerde meerdere verweren aan, waaronder schending van artikel 3 EVRM Pro wegens vermeende foltering, strijd met het non-refoulementbeginsel en het ontbreken van een terugkeergarantie na detentie.
De rechtbank verwierp deze verweren omdat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak is gefolterd, het non-refoulementbeginsel niet van toepassing is op de uitleveringsprocedure en de beslissing over terugkeergarantie aan de Minister van Justitie is voorbehouden. De rechtbank concludeerde dat aan de materiële en formele voorwaarden voor uitlevering is voldaan en verklaarde het verzoek toelaatbaar.
De gevangenhouding van de opgeëiste persoon werd conform de Uitleveringswet voor een periode van 30 dagen bevolen. De rechtbank adviseert de Minister van Justitie om het uitleveringsverzoek te honoreren, met het oog op de uitvoering van de opgelegde straf in de Verenigde Staten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart toelaatbaar de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten voor tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 20 maanden.