Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Voorts is, daartoe opgeroepen, verschenen ir. J.N. Schinkel, deskundige, werkzaam bij de StAB.
Overwegingen
De door eiseres ingediende aanvraag betreft de volgende veranderingen:
1. Vermindering van de toegestane opslag hoeveelheid gevaarlijke stoffen in de [naam]-ruimte tot maximaal 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen, inclusief de werkvoorraad, en het om die reden niet meer toepassen van het beschermingsniveau 1 uit hoofdstuk 4 van de PGS 15. Eiseres verzoekt om die reden om intrekking van de voorschriften 12.4.3 en 12.4.10 van de vergunning. In de aanvullende notitie van 23 juli 2013 verzoekt eiseres om in de vergunning de eisen uit hoofdstuk 3 van de PGS 15 (2011) op te nemen die van toepassing zijn op haar situatie;
2. Wijziging van de definitie van het begrip werkvoorraad. Eiseres verzoekt het voorschrift 12.2.1 uit de vergunning zodanig aan te passen dat wordt aangesloten bij de definitie van het begrip werkvoorraad uit voorschrift 3.1.3 van de PGS 15 (2011);
3. Beperking van de toegestane inhoud van de ethanoltank. Eiseres verzoekt om vermindering van de vergunde hoeveelheid van 20 m³ ethanol tot 15.000 liter of 12.000 kg ethanol;
4. In de aanvullende notitie van 23 juli 2013 verzoekt eiseres om de definitie van emballage in de vergunning te vervangen door de definitie van verpakking die wordt gehanteerd in de PGS 15 (2011).
De rechtbank stelt vast dat de in het bestreden besluit genoemde wijzigingen per saldo betekenen dat verweerder heeft geweigerd om de vergunningvoorschriften te baseren op het beschermingsniveau uit hoofdstuk 3 van de PGS 15 in plaats van op het beschermingsniveau 1 uit hoofdstuk 4 van de PGS 15. Verder is geweigerd om de omschrijving van het begrip werkvoorraad in voorschrift 12.2.1 van de vergunning te wijzigen en om de inhoud van de ethanoltank te maximeren op minder dan 20 m³ ethanol.
- een tank bestemd voor ethanol met een inhoud van 20 m³, deze tank kan worden afgetapt;
- een stelling met lege, gereinigde RVS-vaten.
Gelet hierop kunnen de in het IPB opgenomen maatregelen ook niet als een aan het beschermingsniveau 1 gelijkwaardige voorziening als bedoeld in voorschrift 12.4.4 van de vergunning worden aangemerkt volgens verweerder. Verweerder verwijst in dit verband naar de brief van de Brandweer Gooi en Vechtstreek van 26 augustus 2013, waarin is gereageerd op het IPB.
Eiseres stelt verder dat het oordeel in de uitspraak van de ABRvS van 21 maart 2012, onder 2.17.2, dat verweerder beschermingsniveau 1 in redelijkheid heeft kunnen voorschrijven en het daaraan ten grondslag liggende verslag van de StAB van 10 mei 2011 alleen gebaseerd zijn op het feit dat in de eerder vergunde situatie meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen in de [naam]-ruimte werd opgeslagen, wat nu niet meer het geval is. De ABRvS heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de gecombineerde functie van de [naam]-ruimte leidt tot een verhoogd risico. Volgens eiseres is niet aangetoond dat sprake is van een verhoogd brand- of explosiegevaar, deze conclusie volgt niet uit het verslag van de StAB van 10 mei 2011.
Eiseres wijst er verder op dat bij de methode Beheersbaarheid van Brand, die ten grondslag ligt aan het door [adviesbureau 1] opgestelde IPB, ook de hoeveelheid ethanol die zich in het productieproces bevindt is meegerekend. De conclusie van deze door eiseres ingeschakelde deskundige is dat de combinatie van functies geen aanleiding is om uit te gaan van hogere veiligheidseisen dan voorgeschreven in hoofdstuk 3 van de PGS 15.
verpaktegevaarlijke stoffen in de [naam]-ruimte.
In het verslag en ter zitting is, gelet op de discussie tussen partijen over welke gevaarlijke stoffen als opslag moeten worden aangemerkt, nader toegelicht dat de deskundige van mening is dat de quarantaine-stelling in beginsel te beschouwen is als een onderdeel van het proces, mits een redelijke tijd verloopt tussen het in de stelling plaatsen van de vaten en de verdere inzet tot verkrijging van een (eind)product. Het is niet precies aan te geven wanneer nog sprake is van gebruik in het productieproces en wanneer van (verkapte) opslag. Indien de vaten gedurende langere tijd, bijvoorbeeld langer dan een maand, in de stelling staan waarbij niet of nauwelijks nog sprake is van procesmatige handelingen en/of fysische uitwisselingsprocessen als extractie, is het wellicht beter te spreken van opslag. Maar, ook al zou een gedeelte van de quarantaine-stelling als opslag moeten worden beschouwd, dan betreft dit in ieder geval geen verpakte opslag als bedoeld in de PGS 15 omdat de vaten niet geschikt zijn voor transport over de weg. In beginsel kan daarom worden volstaan met het beschermingsniveau uit hoofdstuk 3 van de PGS 15. De situatie dat reeds de overschrijding van deze grens noopt tot het opleggen van beschermingsniveau 1 van de PGS 15, zoals overwogen door de ABRvS in de uitspraak van 21 maart 2012, doet zich dus niet meer voor, aldus de deskundige. Door uit te gaan van het beschermingsniveau uit hoofdstuk 3 van de PGS 15 (2011) is tevens sprake van toepassing van de best beschikbare technieken. Hierbij kan worden overwogen in de vergunning maatwerkvoorschriften op te nemen met betrekking tot de quarantaine-stelling waarin zich procesvaten bevinden.
beschermingsniveau 1, te stellen bijvoorbeeld omdat locatiespecifieke omstandigheden dit noodzakelijk maken.
De deskundige heeft toegelicht dat dus volgens gangbare richtlijnen (NPR 7910) moet worden geconcludeerd dat er binnen de [naam]-ruimte sprake is van een situatie waarin explosiegevaar niet op voorhand kan worden uitgesloten. Hij is echter van mening dat de kans op een ernstige explosie, gelet op de beschikbare onderzoeksgegevens, als gering moet worden ingeschat. Het is onwaarschijnlijk dat zich in de [naam]-ruimte een zodanige hoeveelheid ontplofbaar ethanol/lucht bevindt dat een eventuele ontsteking zal leiden tot nadelige gevolgen buiten de inrichting. Een vervolgscenario is hooguit het ontstaan van een brand binnen de inrichting, hetgeen is beoordeeld in het kader van het aspect brandveiligheid. De deskundige heeft er verder op gewezen dat kans op ontsteking is geminimaliseerd door de van toepassing zijnde Arboregelgeving.
a. de gevaarlijke stoffen in verpakking die voor productie strikt noodzakelijk aanwezig moeten zijn, en;
b. de gevaarlijke stoffen in verpakking waarvan de grootte van de verpakking in principe is afgestemd op het gebruik van één dag of één batch, en;
c. de gevaarlijke stoffen in verpakking die maximaal één week (7 opeenvolgende dagen) worden gebruikt en / of aanwezig zijn in de productieruimte, en;
d. de hoeveelheid bedraagt maximaal één verpakking per te gebruiken stof plus, indien strikt noodzakelijk, één reserveverpakking.
In de toelichting bij dit voorschrift is onder meer bepaald dat in het algemeen het gebruik en de opgeslagen hoeveelheid werkvoorraad niet meer in proportie zijn indien één eenheid verpakking meer dan één week als werkvoorraad wordt gebruikt.
In de toelichting bij dit voorschrift staat onder meer dat de werkvoorraad zodanig moet zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden. Deze moet evenwel niet zodanig groot moet zijn dat meerdere niet geopende eenheden onnodig dagenlang of zelfs wekenlang in een werkruimte of dergelijke verblijven.