ECLI:NL:RBMNE:2018:4277
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslag op staande voet in zorgovereenkomst wegens ontbreken dringende reden
In deze zaak staat het ontslag op staande voet van een zorgverlener centraal, die op 5 april 2018 door haar werkgever werd ontslagen naar aanleiding van een incident en vermeende herhaalde werkweigering. De zorgverlener betwistte de ernstige bedreiging die aan het ontslag ten grondslag lag en stelde dat zij op afroep werkte zonder vaste werkdagen. De kantonrechter oordeelde dat de stellingen van de werkgever onvoldoende overtuigend waren om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen, mede omdat het woord van de werkgever tegenover dat van de werknemer stond en het bewijs onvoldoende was.
Vervolgens werd vastgesteld dat de zorgovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, maar met een bijzondere aard vanwege de persoonlijke en vriendschappelijke relatie tussen partijen. De arbeidsovereenkomst viel onder artikel 7:671 lid 1 onder Pro d BW, waardoor de werkgever zonder instemming van de werknemer kon opzeggen mits er een redelijke grond was. De kantonrechter concludeerde dat er geen vaste werkroosters waren en dat de zorg op afroep werd verleend, doorgaans minder dan vier dagen per week.
De werkgever had de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd op 3 april 2018 met inachtneming van de opzegtermijn, omdat het vertrouwen in de werknemer ernstig was geschaad. De kantonrechter wees de wettelijke verhoging af vanwege de bijzondere aard van de overeenkomst, kende wel wettelijke rente toe over het achterstallig loon en compenseerde de proceskosten tussen partijen. De arbeidsovereenkomst eindigde derhalve op 1 juni 2018.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst eindigt rechtsgeldig per 1 juni 2018 met doorbetaling van loon tot die datum.