Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
woensdag 12 juni 2019 te 9.30 uur, waar NSR zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 4.14 is overwogen;
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen een machinist en NS Reizigers over de betaling van onregelmatigheidstoeslag (ORT) over bovenwettelijke vrije uren. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat de vaststellingsovereenkomst tussen NS Reizigers en vakbonden in strijd is met dwingend recht, en betaling van ORT over deze vrije uren.
De kantonrechter stelt vast dat de bovenwettelijke vrije uren in de cao gelijkgesteld moeten worden aan vakantiedagen in de zin van artikel 7:634 BW Pro, omdat zij dienen voor herstel en ontspanning. De mogelijkheid om vrije uren in te ruilen voor andere arbeidsvoorwaarden via het Keuzeplan doet hieraan niet af.
De vaststellingsovereenkomst die bepaalt dat geen ORT verschuldigd is over bovenwettelijke vrije uren is nietig, omdat een cao geen afbreuk kan doen aan het recht op loon tijdens vakantie volgens artikel 7:639 BW Pro. NS Reizigers moet daarom ORT betalen over deze uren. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid om nadere onderbouwing te geven over de hoogte van de achterstallige betaling.
Het vonnis staat tussentijds hoger beroep toe en verwijst de zaak voor nadere behandeling over de berekening van het achterstallige loon. De wettelijke verhoging wordt gematigd vanwege het ontbreken van onwil van NS Reizigers.
Uitkomst: NS Reizigers moet onregelmatigheidstoeslag betalen over bovenwettelijke vrije uren vanaf 1 maart 2018 en de vaststellingsovereenkomst die dit uitsluit is nietig.