Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
bovenwettelijkevakantiedagen van haar werknemers. Ter beslechting van het geschil dat hierover is gerezen is in 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen NSR en de bij de cao betrokken vakbonden. Daarin is vastgelegd dat NSR enkel ORT verschuldigd is over de
wettelijkevakantiedagen. De vaststellingsovereenkomst is vervolgens aangemeld als cao (hierna: de vso-cao).
nietkan worden afgeweken van dwingend recht, evenmin stand kan houden. Tot slot klaagt NSR dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door NSR tevens te veroordelen tot afdracht c.q. nabetaling van pensioenpremie over de Compensatie Onregelmatigheid (CO) over de wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen, terwijl [verweerder] geen pensioenpremie heeft gevorderd over de CO-component. M.i. slaagt alleen deze laatste klacht en moeten de overige klachten worden verworpen.
2.Feiten
inleiding’) en van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in rov. 2.1 tot en met 2.4 van het tussenvonnis van 22 mei 2019 (waartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht).
Doorbetaling ORT tijdens minimumvakantiedagen
3.Procesverloop
4.Juridisch kader: vakantiewetgeving
De wettelijke, Unierechtelijke en verdragsrechtelijke regelingen inzake vakantiedagen
een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in [de Arbeidstijdenrichtlijn]’. [15] Omtrent de verhouding tussen beide bepalingen heeft het Hof van Justitie van de EU overwogen dat art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn het ‘
grondrecht’op vakantie, neergelegd in art. 31 lid 2 Handvest Pro, ‘
erkent en preciseert’: waar de laatstgenoemde bepaling het recht op vakantie waarborgt, geeft de eerstgenoemde bepaling uitvoering aan dat beginsel door de duur van de jaarlijkse vakantie vast te stellen, aldus het Hof. [16]
‘bepaalde eisen’moet voldoen om als vakantie te kunnen worden aangemerkt, maar vermeldt niet om
welkeeisen het daarbij zou moeten gaan. [23] Wel is in de parlementaire geschiedenis van de vakantieregeling benoemd dat rooms-katholieke en protestants-christelijke feestdagen niet als vakantiedagen hebben te gelden. [24] Ook roostervrije dagen gelden niet als vakantiedagen. [25] Snipperdagen worden daarentegen wel als vakantiedagen aangemerkt. [26]
in verband met de werkbelasting die op hem drukt, betaald verlof te verschaffen’. Uit deze omschrijving volgt dat aanspraken uit hoofde van ATV- en ADV-regelingen niet kwalificeren als wettelijke vakantie, nu dergelijke regelingen in het leven zijn geroepen met als doel extra arbeidsplaatsen te creëren en dus niet om de werknemer betaald verlof te verschaffen in verband met zijn werkbelasting. [27]
recuperatiefunctie(of
herstelfunctie) van vakantie. Daarmee wordt bedoeld dat vakantiedagen tot doel hebben om de werknemer gelegenheid te bieden te herstellen van de door hem verrichte arbeid. [28] Daarmee wordt tot uitgangspunt genomen, net als in de hiervoor (onder 4.10) aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, dat de vrijetijdsaanspraak verband moet houden met de werkbelasting van de werknemer om van vakantie in de zin van de wet te kunnen spreken.
‘de werknemer in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken’. [29] Zoals hiervoor (onder 4.7) is toegelicht, wordt de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van het vakantiebegrip in de Arbeidstijdenrichtlijn alleen van betekenis geacht voor de uitleg van de wettelijke minimumaanspraak op vakantiedagen. [30]
nietals vakantieuren kwalificeren. [32] Het hof overwoog onder meer dat het doel van een dergelijke regeling ziet op het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van de werknemer in elke
levensfase. Dit doel is niet gelijk te stellen aan of op één lijn te stellen met de recuperatiefunctie van vakantiedagen in verband met de
werkbelastingvan de werknemer, zodat de LFB-uren niet konden kwalificeren als vakantieuren in de zin van de wet: [33]
levensfasemeebrengt (…). Dit oogmerk van de regeling van de LFB-uren wordt niet anders door de vorm waarin deze uren worden genoten, betaald verlof of een geldelijke uitkering, of doordat het motief van een individuele werknemer om jaarlijks LFB-uren op te nemen, ook herstel van de door deze werknemer ervaren werkbelasting kan zijn.”
‘de werknemer te compenseren voor een tijdens verlof of vrije tijd gevolgde cursus’,zodat sprake was van een recuperatiefunctie. Ook het karakter van het buitenlandverlof en het vierploegenverlof was naar het oordeel van de kantonrechter vergelijkbaar met dat van vakantiedagen, nu eerstgenoemde verlofvormen eveneens een recuperatiefunctie hadden: [36]
‘een rol’speelde, en lijkt daarmee een ruimere benadering te hanteren dan het hof Den Haag en het hof Arnhem-Leeuwarden.
ookkan recupereren van de door hem verrichte arbeid, niet genoeg om aan te nemen dat sprake is van vakantie in de zin van de wet; vereist wordt dat de vrijetijdsaanspraken ook (uitsluitend)
dit doelhebben. In deze strikte benadering wordt het begrip ‘recuperatiefunctie’ dus zo uitgelegd dat de vrijetijdsaanspraak moet zijn verleend
uitsluitendmet het oog op de werkbelasting van de werknemer. In de ruime benadering (rechtbank Rotterdam) van het vakantiebegrip wordt weliswaar ook tot uitgangspunt genomen dat een vrijetijdsaanspraak ertoe moet strekken betaald verlof te verschaffen in verband met de werkbelasting die op de werknemer drukt, maar wordt niet nodig geacht dat de aanspraak uitsluitend met dat doel is verleend.
ATV-dagenals vakantiedagen in de zin van de wet kwalificeren. Dergelijke vrijetijdsaanspraken zijn in het leven geroepen met als doel het vervallen van arbeidsplaatsen voorkomen en/of het creëren van arbeidsplaatsen, zodat ten aanzien van dergelijke aanspraken zonder meer kan worden gesteld dat zij geen verband houden met de werkdruk van individuele werknemers. Hier geldt immers dat niet de individuele werknemer, maar de
werkgelegenheidin brede zin centraal staat.
werknemer,waarmee leidend zou moeten zijn in hoeverre de verlofregeling in kwestie de
werknemercentraal stelt. Wanneer dit het uitgangspunt vormt, geldt dat ook verlofregelingen die tot doel hebben om de duurzame inzetbaarheid van de werknemer te bevorderen, als vakantie kunnen kwalificeren. De achtergrond van dergelijke regelingen is immers dat zij de werknemer in de gelegenheid stellen het werk (en dus ook de werkbelasting) zo in te richten, dat hij het werk op langere termijn kan blijven doen. Daarmee wordt voorkomen dat de werkzaamheden – al dan niet vanwege de levensfase waarin de werknemer zich op dat moment bevindt – een te grote belasting voor de werknemer worden.
‘in verband met de werkbelasting die op hem drukt’moet dus zó worden uitgelegd, dat voldoende is dat het doel waarmee de vrijetijdsaanspraak is toegekend, op enigerlei wijze de
werknemeren diens werkbelasting centraal stelt. Daarbij moet het begrip ‘
werkbelasting’ruim worden uitgelegd. Dat wil zeggen dat het niet alleen gaat om de belasting die rechtstreeks voortvloeit uit de bedongen arbeid, maar ook om omstandigheden die maken dat de werknemer een zwaardere werkbelasting ervaart, zoals de levensfase waarin de werknemer zich op dat moment bevindt.
toekent, of op het moment waarop de werknemer de aanspraak
inzeten deze aldus een bestemming krijgt.
verschaffen, ligt het voor de hand dat bij de kwalificatie van vrijetijdsaanspraken richtinggevend is met welk doel deze aanspraken zijn
toegekend.Voor deze benadering pleit bovendien dat de Hoge Raad in de hier bedoelde rechtspraak ook stilstaat bij het feit dat ATV-regelingen juist met een ander doel
‘in het leven zijn geroepen’.Ook met deze formulering wordt gedoeld op het moment van toekenning van de vrijetijdsaanspraak. Dit leidt tot de conclusie dat wanneer de aanspraak is
toegekendmet het doel om de werknemer betaald verlof te verschaffen in verband met de op hem rustende werkbelasting, dat voldoende is om de aanspraak als vakantie in de zin van de wet te kwalificeren. Dat de werknemer de vrijetijdsaanspraak vervolgens op een later moment een andere bestemming geeft, doet daar niet aan af.
‘het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon.’ [39] Het ging in dit arrest om de uitleg van art. 1638ii BW (oud), dat bepaalde dat de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van zijn opgebouwde vakantieaanspraken (thans: art. 7:641 lid 1 BW Pro). De Hoge Raad overwoog dat deze bepaling blijkens de wetsgeschiedenis tot doel heeft de werknemer in staat te stellen bij zijn nieuwe werkgever verlof zonder behoud van loon op te nemen. In de parlementaire geschiedenis is hierover vermeld: [40]
‘gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon’,duidt erop dat het begrip ‘loon’ in art. 7:639 lid 1 BW Pro ruim dient te worden uitgelegd.
enkele bepalingenvan de vakantiewetgeving af te wijken.”
enkele bepalingen’van de vakantiewetgeving afwijking mogelijk te maken. De regering heeft dit uitgangspunt gevolgd en heeft de wettelijke regels voor bovenwettelijke vakantiedagen uitsluitend op enkele
specifiekeonderdelen gewijzigd. [44]
wettelijkevakantiedagen werd bewerkstelligd dat niet werd getornd aan de beschermende functie van de minimumvakantie. [45]
beloond. Hiervoor is besproken dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om bovenwettelijke vakantiedagen op onderdelen op andere wijze te reguleren dan wettelijke vakantiedagen. Deze afwijkende regels zijn uitdrukkelijk in de wet opgenomen. Als gezegd, wordt in art. 7:639 BW Pro, waarin het recht op loon over vakantiedagen is vastgelegd, geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Waar de bepaling geen afwijkingsmogelijkheid ten nadele van de werknemer bevat, geldt op grond van art. 7:645 BW Pro dat een voor de werknemer nadelige afwijking niet toelaatbaar is.
‘wie het meerdere mag, mag ook het mindere’,het overeenkomen van een afwijkend loonbegrip voor bovenwettelijke vakantiedagen mogelijk zou moeten zijn: [48]
geenafwijking ten nadele van de werknemer toelaat. [49] Zo stellen Vos [50] , Hurks [51] , Peters [52] , Cuppen en Van den Eeckhout [53] zich op het standpunt dat art. 7:639 lid 1 BW Pro niet toelaat dat voor bovenwettelijke vakantiedagen een afwijkend (en voor de werknemer nadelig) vakantieloon kan worden overeengekomen. Peeters betoogt voorts dat cao-bepalingen waarin met betrekking tot bovenwettelijke vakantiedagen ten nadele van de werknemer van art. 7:639 BW Pro wordt afgeweken, nietig zijn. [54]
TSN-arrest (mijn onderstreping): [57]
de lidstatenom, ten eerste, te beslissen of zij de werknemers al dan niet extra dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekennen boven op de bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 gewaarborgde minimumperiode van vier weken en, ten tweede, in voorkomend geval de voorwaarden voor het toekennen en het vervallen van die extra vakantiedagen vast te stellen, waarbij zij in dit verband niet gehouden zijn de beschermingsregels die het Hof met betrekking tot die minimumperiode heeft ontwikkeld, in acht te nemen.”
lidstatenvrijstaat om voor bovenwettelijke vakantieaanspraken afwijkende regels vast te stellen (zie onderstreping in citaat). De Nederlandse wetgever heeft er echter niet voor gekozen om dergelijke afwijkende regels vast te stellen op het gebied van het vakantieloon dat voortvloeit uit art. 7:639 lid 1 BW Pro (zie onder 4.30-4.31). Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het begrip ‘loon’ in art. 7:639 lid 1 BW Pro betrekking heeft op zowel wettelijke als bovenwettelijke vakantiedagen.
5.Juridisch kader: de vaststellingsovereenkomst als cao
De wettelijke regeling van de vaststellingsovereenkomst
de afspraaktussen partijen om bindend vast te stellen wat tussen hen rechtens is.
directeen de
indirectebeslissing ter bepaling van de rechtstoestand tussen partijen. De
directebeslissing geschiedt door partijen gezamenlijk; in dit geval vallen de vaststellingsovereenkomst – ofwel: de afspraak van partijen om bindend vast te stellen wat tussen hen rechtens is – en de vaststelling van deze rechtstoestand tussen hen samen, in die zin dat de vaststelling van de rechtstoestand deel uitmaakt van de vaststellingsovereenkomst. De
indirectebeslissing vindt plaats door één partij of een derde, ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. [62] In dat geval is er dus eerst de afspraak van partijen om zich te binden (de vaststellingsovereenkomst), en wordt later – door één van partijen of door een derde – uitgesproken hoe de rechtstoestand tussen partijen luidt (de beslissing). Die uitspraak of beslissing is dus zelf geen onderdeel van de vaststellingstellingsovereenkomst; de vaststellingsovereenkomst vormt de grondslag voor de bindende uitspraak of beslissing. [63]
beëindigingvan een onzekerheid of geschil. Het geldt dus niet voor de vaststelling ter
voorkomingvan een onzekerheid of geschil; in dat geval kan de vaststelling wél worden getoetst aan dwingend recht, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis. [69]
‘grote terughoudendheid’past bij het opzij zetten van dwingend recht door middel van een vaststellingsovereenkomst: [71]
vaststellingenin de vaststellingsovereenkomst (en niet op de vaststellingsovereenkomst zelf). In de memorie van toelichting is hierover het volgende vermeld: [72]
.De vaststellingsovereenkomst wordt onverkort beheerst door art. 3:40 BW Pro en kan derhalve wel degelijk nietig of vernietigbaar zijn wegens strijdigheid met dwingend recht. [73]
Men denke ook aan tussen partijen gerezen verschillen of vragen betreffende een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst van woonruimte of bedrijfsruimte of over de geldigheid van een bepaald beding in algemene voorwaarden.
Over een dergelijk reeds gerezen geschil of een reeds gerezen vraag moeten partijen het eens kunnen worden, ook al komen zij aldus tot een uitleg of toepassing van een dwingende wetsbepaling die naderhand onjuist blijkt.”
‘het gehele sociaal-economische bestel’, werd van belang geacht dat de overheid over de inhoud hiervan
‘niet onkundig’bleef. [77] Deze bepaling is tevens ingevoerd met het oog op het inmiddels vervallen art. 7 Wet Pro LV, waarin voorheen was bepaald dat de cao pas vier weken na de kennisgeving van ontvangst (zie hiervoor onder 5.19) in werking kon treden. In deze periode kon worden onderzocht of loonkostenstijgingen voortvloeiend uit cao’s in strijd waren met
‘het algemeen sociaal-economisch belang’. Daarvoor was noodzakelijk dat cao’s bij aanmelding vergezeld gingen van een toereikende toelichting op de daaraan verbonden loonstijging. [78] De regeling van art. 7 Wet Pro LV is in 1976 komen te vervallen. De aanmeldplicht van art. 4 Wet Pro LV is bij die wetswijziging behouden, nu dit noodzakelijk werd geacht in het licht van het
‘streven naar grotere openbaarheid van inkomens uit arbeid.’ [79]
‘een collectieve arbeidsovereenkomst’.Art. 1 lid 1 Wet Pro Cao definieert de collectieve arbeidsovereenkomst als volgt:
arbeidsvoorwaarden’kan vallen
. [81] De definitie van het begrip ‘cao’ in art. 1 lid 1 Wet Pro Cao lijkt ook de vaststellingsovereenkomst te kunnen omvatten, zolang die overeenkomst afspraken over arbeidsvoorwaarden bevat, en wordt gesloten tussen een (of meer) werkgevers of werkgeversvereniging(en) en een (of meer) werknemersvereni-ging(en). Dit wordt ook in de literatuur tot uitgangspunt genomen. [82] In de literatuur wordt voorts geopperd dat ook de bedoeling van partijen van belang is bij de beantwoording van de vraag of een overeenkomst de rechtswerking van een cao heeft. [83] De omstandigheid dat een overeenkomst
nietals cao is aangemeld, vormt volgens Verhulp en Jansen een aanwijzing dat partijen
nietde bedoeling hebben gehad een overeenkomst met de rechtswerking van een cao te sluiten. [84]
Datelnet/ […]overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of een vaststellingsovereenkomst als cao in werking kan treden: [86]
Datelnet/ […]dus geen sprake was van een vaststellingsovereenkomst die als cao was aangemeld, volgt uit de geciteerde rechtsoverweging wel dat de aanmelding op grond van art. 4 Wet Pro LV vereist is om aan een vaststellingsovereenkomst de rechtsgevolgen te verbinden die uit de Wet Cao voortvloeien. [87] Dit sluit ook aan bij wat hierover in de wetsgeschiedenis van art. 4 Wet Pro LV is opgemerkt (zie onder 5.21). Bovendien kan uit het arrest
Datelnet/ […]worden afgeleid dat de aanmelding van een vaststellingsovereenkomst als cao op zichzelf mogelijk is.
‘behoudens voor zover deze bepalingen niet verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.’Art. 6:215 BW Pro bepaalt echter niet wat het gevolg is wanneer de situatie uit deze behoudens-clausule zich voordoet.
Kasteel […]uit 2017 nadere verduidelijking geboden over de toepassing van art. 6:215 BW Pro. [90] In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer: [91]
‘zelden zal voorkomen’dat een bepaling van dwingend recht via deze samenloopbepaling terzijde wordt gesteld, valt hierin eveneens te lezen dat dat ook niet per definitie uitgesloten is. Binnen de arbeidsrechtelijke context valt in dit verband nog op te merken dat titel 7.10 BW vanwege het beschermende karakter van het arbeidsrecht, goeddeels uit dwingend recht bestaat. Art. 7:610 lid 2 BW Pro bepaalt daarbij dat bij samenloop tussen de arbeidsovereenkomst en een ander soort bijzonder in de wet geregelde overeenkomst, de bepalingen van titel 7.10 BW prevaleren. Hoewel een dergelijke voorrangsregel in de Wet Cao ontbreekt, kan aan art. 7:610 lid 2 BW Pro een argument worden ontleend voor de stelling dat – gezien de gelijke achtergrond van deze regelingen – ook de Wet Cao bij samenloop met een andere wettelijke regeling zou moeten prevaleren.
driekwart dwingend recht, ook wanneer dit voor werknemers ongunstige afwijkingen behelst. [96] De wetgever was zich ervan bewust dat sommige wettelijke normen in bepaalde bedrijfstakken problematisch konden zijn, en heeft op deze wijze cao-partijen in de gelegenheid willen stellen om op bepaalde vlakken maatwerkafspraken te maken. [97]
6.Bespreking van het cassatiemiddel
in verband met de werkbelasting die op hem drukt, betaald verlof te verschaffen’(zie onder 4.10). Voor de kwalificatie gaat het er dus om of in het kader van de vrijetijdsaanspraak sprake is van een recuperatiedoelstelling.
met welk doel de verlofregeling in het leven is geroepen(zie onder 4.10)
.Beslissend is daarmee of de aanspraak is toegekend met het doel om de werknemer betaald verlof te verschaffen in verband met de op hem rustende werkbelasting. Daarbij geldt dat het begrip
‘werkbelasting’mijns inziens ruim moet worden uitgelegd. Dat wil zeggen dat het niet alleen gaat om de belasting die rechtstreeks voortvloeit uit de bedongen arbeid, maar ook om omstandigheden die maken dat de werknemer een zwaardere werkbelasting ervaart, waaronder de levensfase waarin de werknemer zich op dat moment bevindt (zie hiervoor onder 4.20).
nog steedsals vakantieuren in de zin van de wet kwalificeren wanneer deze worden ingezet voor de financiering van de Regeling werktijdverkorting voor oudere werknemers (hierna: de ‘RO-regeling’). Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De hiertegen gerichte klacht van NSR kan niet slagen: aanspraken die – zoals de hier aan de orde zijnde ‘vrije uren’ – als vakantieaanspraken kwalificeren, kunnen niet ‘van kleur verschieten’ door de bestemming die zij (uiteindelijk) krijgen (zie onder 4.24-4.25).
éningezet met een recuperatiedoelstelling. Voor een dergelijke strikte uitleg van de toetsingsmaatstaf van de Hoge Raad bestaan echter geen aanknopingspunten.
geensprake is van vakantiedagen in de zin van de wet, voldoende is dat de ATV-regeling in kwestie
medevoorzag in het scheppen van arbeidsplaatsen. [99] NSR bedoelt hiermee dat voor de kwalificatie als wettelijke vakantiedag sprake moet zijn van een
‘zuivere recuperatiefunctie’, en dat bij een ‘gemengde’ doelstelling of strekking van de regeling geen sprake kan zijn van vakantie in de zin van de wet. [100] De Hoge Raad heeft zich in de aangehaalde uitspraak echter niet uitgelaten over de vraag of aan een vrijetijdsaanspraak een
‘zuivere’recuperatiedoelstelling moet zijn verbonden, wil deze aanspraak kwalificeren als vakantie in de zin van de wet. Aan de uitspraak van de Hoge Raad kan dus niet de gevolgtrekking worden verbonden die NSR voor ogen heeft.
“in strijd zijn met dwingend recht”,maar dat deze afspraken slechts dan niet gelden wanneer zij
“in strijd zijn met dwingend recht en daarmee nietig of vernietigbaar zijn”.Afspraken die in strijd met dwingend recht worden gemaakt ter beëindiging van een geschil over het verleden, zijn niet nietig of vernietigbaar. [101] Volgens de klacht kan de tekst van de vso-cao, tegen de achtergrond van de wettelijke regeling van de vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 e.v. BW), dan ook niet anders worden begrepen dan dat de afspraken in de vso-cao voor wat betreft de afwikkeling van het ORT-geschil
over het verledenjuist ook gelden wanneer die afspraken in strijd blijken te zijn met dwingend recht en wel omdat die afspraken in zoverre niet nietig of vernietigbaar zijn, terwijl zulke nietigheid of vernietigbaarheid volgens de tekst van de vso-cao wel vereist is om de gemaakte afspraken niet van toepassing te laten zijn. De uitleg van het hof valt evenmin te rijmen met de aard van de vso-cao als vaststellingsovereenkomst, die juist wordt aangegaan om een conflict, zeker over het verleden, definitief op te kunnen lossen onder terzijdestelling van dwingend recht, aldus het onderdeel.
over het verledenblijven gelden wanneer deze afspraken in strijd blijken te zijn met dwingend recht. De tekst wijst er juist veeleer op dat partijen voor
alleafspraken in de vso-cao dezelfde inspanningsverplichting voor ogen hebben gehad om de bepalingen te vervangen indien deze in strijd blijken te zijn met dwingend recht. Daarin wordt immers gesproken van
“één of meer in deze overeenkomst opgenomen bepalingen”,zonder dat onderscheid is gemaakt tussen de bepalingen waarin een regeling wordt getroffen voor ORT-aanspraken uit het verleden en de bepalingen die zien op de toekomstige betaling van ORT over vakantiedagen. Anders dan NSR stelt in haar schriftelijke toelichting (§ 61), blijkt niet evident uit de tekst van de vso-cao dat
“in strijd met dwingend recht”en
“nietig of vernietigbaar”twee cumulatieve vereisten zijn die niet altijd tezamen worden vervuld. Het gebruik van het woord “
daarmee” in de zinsnede “
één of meer in deze overeenkomst opgenomen bepalingen in strijd zijn met dwingend recht en daarmee nietig of vernietigbaar”suggereert juist dat partijen ervan uit zijn gegaan dat bepalingen uit de overeenkomst die in strijd zijn met dwingend recht
altijdnietig of vernietigbaar zijn. Dat het hof uit de bewoordingen van de vso-cao heeft afgeleid dat deze niet ziet op de situatie waarin een gemaakte afspraak (over zowel het verleden als voor de toekomst) in strijd met het dwingend recht blijkt te zijn is m.i. goed te volgen en zeker niet onbegrijpelijk. De bewoordingen zijn duidelijk en m.i. niet voor een andere interpretatie vatbaar.
vaststellingin strijd is met dwingend recht, maar laat dit onverlet dat de vaststellingsovereenkomst op grond van art. 3:40 BW Pro nietig of vernietigbaar is als partijen daarmee bewust zijn afgeweken van dwingend recht (zie onder 5.12-5.13). In dit geval behelst de vaststellingsovereenkomst (de vso-cao) niet alleen de afspraak van partijen om hun rechtsverhouding bindend vast te stellen, maar ook hóe die vaststelling luidt. De vaststelling is dus in feite onderdeel van de vaststellingsovereenkomst (vgl. onder 5.5). Hiermee is sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen deze delen van de vaststellingsovereenkomst. Dat heeft tot gevolg dat op grond van art. 3:41 BW Pro nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ook de
vaststellingentreft (vgl. onder 5.15).
‘zelden zal voorkomen’dat een bepaling van dwingend recht via deze samenloopbepaling terzijde wordt gesteld, geldt dat dat ook niet per definitie uitgesloten is.
niettevens het karakter van cao gedragen, dan had zij als zodanig geen invloed kunnen uitoefenen op de rechtsverhouding tussen NSR en [verweerder] . Andersom geldt juist dat dit laatste nog altijd wel het geval was geweest wanneer louter sprake was van een cao.
ultra petitamag gaan. [109] Voor zover het hof van de hiervoor genoemde door [verweerder] in cassatie bepleite lezing van het petitum is uitgegaan, is het oordeel van het hof althans onbegrijpelijk. Het onderdeel slaagt derhalve.
“toch betaald moet worden”en dat
“dat een extra procedure scheelt waarop, als het goed is, niemand zit te wachten”.Dat er hoe dan ook pensioenpremie betaald moet worden over de Compensatie Onregelmatigheid staat echter niet vast. Het antwoord op de vraag of een bepaalde salariscomponent pensioengevend is, hangt af van wat het toepasselijke pensioenreglement daarover bepaalt dan wel van de afspraken die werkgever en werknemer daarover hebben gemaakt. [110] NSR heeft in haar schriftelijke toelichting (§ 112) gesteld dat als duidelijk was geweest dat [verweerder] ook afdracht c.q. nabetaling van de pensioenpremie over de CO-toeslag had gevorderd, zij in ieder geval ten processe zou hebben aangevoerd dat de uitbetaalde CO-toeslag op dit moment hoe dan ook niet pensioengevend is. Het belang van NSR bij deze klacht is daarmee gegeven.