Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres en [eiser] , eiser, te [woonplaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Daarbij heeft verweerder op 20 februari 2018 een buurtonderzoek verricht in de nabije omgeving van het adres van eiser waarbij vier kamerbewoners zijn gehoord en een verklaring hebben afgelegd. Op 16 mei 2018 heeft verweerder twee getuigen gehoord die op het adres van eiseres hebben gewoond. Op 13 juni 2018 is de verhuurder van de kamers aan eiseres en eiser gehoord. Op 27 juni 2018 heeft een gesprek met eiseres plaatsgevonden. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 juli 2018.
Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat, voor zover er al van een gezamenlijke huishouding sprake zou zijn, verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit ook voor de periode van
5 mei 2015 tot en met 1 oktober 2016 geldt. Daarbij stellen eisers dat de getuigen alleen over de periode vanaf 2016 of 2017 hebben verklaard. Verder mag de verklaring van de anonieme getuige, die ziet op de periode vanaf april 2016, niet meegenomen worden en ziet de verklaring van getuige [getuige 1] op de periode vanaf oktober 2016.
Beslissing
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II (beide van 11 maart 2019) gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten I en II voor zover die betrekking hebben op de intrekking van de bijstand van eiseres over de periode 5 mei 2015 tot en met 15 september 2015, op de terugvordering en op de medeterugvordering;
- herroept het primaire besluit I voor zover daarbij de bijstand van eiseres over de periode van 5 mei 2015 tot en met 15 september 2015 is ingetrokken;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II voor zover deze betrekking hebben op de terugvordering en op de medeterugvordering;
- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 47,- aan eiseres en € 47,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.536,-.