ECLI:NL:CRVB:2017:2589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met appellant
Appellante ontving bijstand sinds 2009 en stond ingeschreven op een ander adres dan appellant. Na een anonieme melding verrichtte de sociale recherche een onderzoek naar mogelijke samenwoning. Het college trok de bijstand in en vorderde terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, wat appellante niet had gemeld.
De rechtbank vernietigde delen van deze besluiten en legde het college op nieuwe besluiten te nemen. Het college stelde de boete en terugvordering opnieuw vast. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze besluiten en voerden aan dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor een gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij het zwaartepunt van appellantes persoonlijk leven bij appellant lag. Dit blijkt uit verklaringen van betrokkenen en buren. Ook is sprake van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. De boete is proportioneel en de proceskostenvergoeding van de rechtbank is terecht toegekend.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en verklaart de beroepen tegen de besluiten van het college ongegrond.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en verklaart het hoger beroep ongegrond.