ECLI:NL:RBMNE:2020:2628
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen wegens ontbreken redelijke grond en niet-naleving herplaatsingsplicht
De werknemer trad in 2007 in dienst bij de rechtsvoorganger van de werkgever en werkte als Assistent Accountmanager. In 2014 werd een speciale afspraak gemaakt waarbij de werknemer 36 uur werkte maar 40 uur betaald kreeg, hetgeen in strijd was met de cao. Deze afspraak bleef ongewijzigd bij overgang van onderneming in 2017. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), andere omstandigheden (h-grond) en een combinatie daarvan (i-grond).
De kantonrechter oordeelde dat weliswaar sprake was van een vertrouwensbreuk, maar deze niet ernstig of duurzaam genoeg was om ontbinding te rechtvaardigen. De verwijten van de werkgever, waaronder misbruik van vertrouwelijke informatie en onjuiste verlofaanvraag door de werknemer, werden als ongegrond beoordeeld. De werknemer toonde bereidheid tot overleg en mediation, terwijl de werkgever geen herstelpogingen deed.
De overige ontslaggronden werden onvoldoende onderbouwd geacht. De herplaatsingsverplichting werd niet nageleefd door de werkgever, terwijl herplaatsing binnen de organisatie mogelijk was. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een redelijke grond en niet-naleving van de herplaatsingsverplichting.