De arbeidsovereenkomst van verzoeker, senior adviseur bij verweerder, eindigde op 1 april 2020 van rechtswege. Verzoeker vorderde betaling van transitievergoeding, aanzegvergoeding en achterstallig salaris over maart 2020, alsmede een correcte bruto/netto specificatie en buitengerechtelijke kosten.
Verweerder stelde dat partijen een beëindigingsovereenkomst hadden gesloten en dat vakantiedagen verrekend mochten worden met het salaris. De kantonrechter oordeelde dat geen beëindigingsovereenkomst tot stand was gekomen en dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigde op 1 april 2020 zonder afspraken over afzien van vergoedingen.
De kantonrechter stelde vast dat verweerder het initiatief nam tot niet-verlenging en daardoor transitievergoeding verschuldigd is. De aanzegging was niet tijdig, waardoor een aanzegvergoeding naar rato werd toegewezen. Verrekening van vakantiedagen met salaris werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van teveel opgenomen dagen. Verzoeker kreeg ook het achterstallige salaris toegewezen.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de vergoedingen, rente, proceskosten en het verstrekken van een bruto/netto specificatie onder dwangsom.