De zaak betreft een ontbindingsverzoek van de werkgever tegen de werknemer wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). De werkgever heeft aangevoerd dat de werknemer sinds september 2019 zonder werkzaamheden zijn salaris heeft doorbetaald gekregen en dat de arbeidsrelatie definitief is verstoord.
De werknemer heeft verweer gevoerd tegen de ontbinding en verzocht om toekenning van een billijke vergoeding naast de transitievergoeding, alsmede vernietiging of matiging van het concurrentiebeding. De kantonrechter oordeelt dat de g-grond is vervuld en dat de arbeidsrelatie sinds september 2019 ernstig en definitief is verstoord.
De ontbinding wordt vastgesteld met ingang van 1 februari 2021, rekening houdend met de opzegtermijn. De werknemer heeft recht op de wettelijke transitievergoeding, maar geen recht op een billijke vergoeding, aangezien de doorbetaling van loon en transitievergoeding voldoende compensatie vormen. De vordering tot vernietiging van het concurrentiebeding wordt afgewezen op formele gronden.
Partijen worden in het ongelijk gesteld en dragen ieder hun eigen proceskosten. De werkgever wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van een bruto/netto specificatie van de transitievergoeding.