ECLI:NL:RBMNE:2022:2462
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning: waarde schattenderwijs vastgesteld op 200.000 euro
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die is vastgesteld op € 217.000,- voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder handhaaft deze waarde na bezwaar, waarna eiser beroep instelt bij de rechtbank.
De rechtbank analyseert de taxatiematrix en de vergelijkingsmethodiek van verweerder. Verweerder baseert zich op transportdata in plaats van de datum van koopovereenkomst, wat volgens de rechtbank een onjuist uitgangspunt is. Hoewel een termijn van maximaal drie maanden tussen koop en transport acceptabel kan zijn, heeft verweerder geen verkoopdata vermeld, maar slechts transportdata die tot vijf maanden uit elkaar liggen.
Daarnaast blijkt dat verweerder KOUDV-factoren heeft bepaald op basis van de verbeterde staat van referentiewoningen na verbouwing, wat strijdig is met de Wet WOZ. De waarde moet worden vastgesteld op basis van de staat ten tijde van verkoop, niet na renovatie. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of voldoende rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiser heeft ook geen aannemelijk bewijs geleverd voor zijn lagere waarde van € 190.000,-. Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs van beide partijen stelt de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op € 200.000,-. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt schattenderwijs vastgesteld op € 200.000,- en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.