De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 20 september 2022 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 2000 en 2004. De primaire tenlastelegging betrof seksueel binnendringen, subsidiair het plegen van andere ontuchtige handelingen buiten echt.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primaire feit wegens onvoldoende steunbewijs, mede door het grote tijdsverloop en getuigenverklaringen. Wel achtte de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de blote vagina van het slachtoffer betast en aangeraakt heeft. Verdachte bekende dit en werd daarvoor veroordeeld.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, het grote tijdsverloop, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een eerdere veroordeling en positieve behandeling. De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op met een proeftijd van drie jaar en een bijzondere voorwaarde dat verdachte geen minderjarigen zonder begeleiding in zijn woning mag toelaten.
Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend aan het slachtoffer van €2.110,34, bestaande uit materiële en gematigde immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Het deel van de immateriële schade boven dit bedrag werd afgewezen wegens onevenredige belasting van het strafgeding. Verdachte werd veroordeeld tot betaling en bij niet-nakoming tot gijzeling.