ECLI:NL:RBMNE:2022:676
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel
Verzoekster huurt een woning die door de burgemeester van Utrecht voor drie maanden is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege aangetroffen handelshoeveelheden cocaïne en aanwijzingen van drugshandel vanuit de woning.
Verzoekster betwist betrokkenheid en kennis van de drugs, wijst op schending van haar privacyrechten en stelt dat de sluiting onevenredige gevolgen heeft, mede omdat zij geen vervangende woonruimte heeft. De burgemeester stelt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs een ernstige situatie vormt die sluiting zonder waarschuwing rechtvaardigt. Hoewel verzoekster niet persoonlijk betrokken lijkt, rust haar als huurder een verantwoordelijkheid voor wat in de woning gebeurt. De verklaringen van buurtbewoners en de omstandigheden bevestigen de noodzaak van sluiting.
De rechter vindt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd over vervangende huisvesting, maar dit weegt niet op tegen het belang van de sluiting. Het bezwaar van verzoekster heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen.