ECLI:NL:RVS:2020:2879
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verkorte sluitingstermijn woning wegens drugshandel met aandacht voor kwetsbaarheid bewoners
De burgemeester van Utrecht legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van een woning voor twaalf maanden vanwege drugshandelactiviteiten die verband hielden met een zoon van de bewoners.
De rechtbank verklaarde het beroep van de bewoners ongegrond en oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en de sluiting gerechtvaardigd was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de burgemeester terecht tot sluiting is overgegaan, gezien de handelshoeveelheid cocaïne, de aanwezigheid van drugsgerelateerde telefoons en grote sommen contant geld, en de betrokkenheid van de zoon bij een georganiseerd dealernetwerk.
De Afdeling vindt echter dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de maximale sluitingstermijn van twaalf maanden passend was, mede gelet op de kwetsbare gezondheidssituatie van het echtpaar en het ontbreken van onderzoek naar vervangende huisvesting. Daarom wordt de sluitingstermijn teruggebracht tot zes maanden, wat ook gevolgen heeft voor de datum van heropening van de woning.
De Afdeling veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht aan de bewoners. Hiermee wordt het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De sluitingstermijn van de woning wordt teruggebracht van twaalf naar zes maanden wegens onvoldoende motivering en de kwetsbare situatie van de bewoners.