Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser en [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
[derde-partij 2],
[derde-partij 3]en
[derde-partij 4], allen uit [woonplaats]
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers zijn eigenaar en huurder van een recreatiewoning op een chaletpark, waar permanente bewoning tijdens de wintersluiting (31 oktober tot 1 april) verboden is volgens het bestemmingsplan. Het college legde hen een last onder dwangsom op vanwege overtreding van dit verbod. Eisers maakten bezwaar en voerden onder meer aan dat woningnood bijzondere omstandigheden vormde en dat het college had moeten afzien van handhaving.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd en verplicht was om handhavend op te treden bij constatering van de overtreding. Er was geen concreet zicht op legalisatie omdat geen vergunningaanvraag was gedaan en eerdere aanvragen waren geweigerd. Het belang van handhaving, gericht op het waarborgen van rust, natuurwaarden en het voorkomen van verstedelijking, woog zwaarder dan het belang van eisers.
Ook de stelling dat handhaving onevenredig is vanwege woningnood en het ontbreken van alternatieve woonruimte slaagt niet. De rechtbank wijst erop dat woningnood geen bijzondere omstandigheid is die handhaving verhindert. De verlengde begunstigingstermijn en eerdere waarschuwingen maakten eisers bekend met het verbod. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De last onder dwangsom is terecht opgelegd en het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard.