ECLI:NL:RVS:2023:846
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tegen illegale woonruimte op bedrijventerrein Alkmaar
Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar heeft bij besluit van 20 februari 2020 gelast dat het gebruik van woonruimten op een perceel met bestemming 'Bedrijf-1' binnen drie maanden moet worden gestaakt, met een dwangsom van €10.000. [Appellant A] exploiteert een autogaragebedrijf op deze locatie en woont samen met zijn zoon op de eerste verdieping van het pand. Het gebruik als woonruimte is in strijd met het bestemmingsplan.
Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep van appellant ongegrond verklaarde, is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. Appellant voerde onder meer aan dat er concreet zicht op legalisatie zou zijn, handhaving onevenredig is vanwege de krappe woningmarkt, en dat het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel (willekeur) in het geding zijn.
De Raad van State oordeelt dat er geen concreet zicht op legalisatie is omdat geen aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend ten tijde van het besluit en het college niet bereid is af te wijken van het bestemmingsplan. Het belang van handhaving weegt zwaarder dan het belang van appellant om te blijven wonen in het pand. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan. Ook is er geen sprake van willekeur omdat het college prioriteiten stelt en het woonwagencentrum een toegestane bestemming heeft.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het handhavingsbesluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.