ECLI:NL:RBMNE:2023:2269
Rechtbank Midden-Nederland
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde restaurant en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiseres betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van een restaurant op 1 januari 2019, gesteld op € 2.704.000,-, en voerde aan dat deze te hoog was en niet hoger mocht zijn dan € 1.499.000,-. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de huurwaarde en kapitalisatiefactor werden afgeleid uit vergelijkbare objecten. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank verwierp het verweer van eiseres dat de huurprijs niet marktconform zou zijn vanwege de coronapandemie, omdat de waardepeildatum vóór de pandemie lag en het leegstandsrisico is verwerkt in de kapitalisatiefactor. Ook de gehanteerde referentieobjecten voor de kapitalisatiefactor waren volgens de rechtbank voldoende vergelijkbaar, ondanks dat het restaurant zich in een stationsgebied bevindt en de referentieobjecten winkelpanden zijn.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiseres om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale bezwaar- en beroepsfase duurde ruim een jaar langer dan de redelijke termijn. De rechtbank volgde haar eerdere uitspraak en matigde de forfaitaire vergoeding tot € 50,- per half jaar overschrijding, wat in dit geval leidde tot een vergoeding van € 150,-, te verdelen tussen de heffingsambtenaar en de Staat.
Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de kosten voor het verzoek om schadevergoeding minimaal waren en het beroep inhoudelijk ongegrond was. De rechtbank wees het beroep af, kende een beperkte immateriële schadevergoeding toe en veroordeelde de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling daarvan.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en een beperkte schadevergoeding van €150,- is toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.