ECLI:NL:RBMNE:2023:3344
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding op grond van inleenovereenkomst bij arbeidsverhouding met uitzendkracht
In deze zaak vordert het uitzendbureau betaling van een vergoeding van de opdrachtgever wegens het aangaan van een arbeidsverhouding met een uitzendkracht binnen een jaar na terbeschikkingstelling. Partijen sloten een inleenovereenkomst met een minimale inleentermijn van 1750 uur. De uitzendkracht werkte vanaf 15 augustus 2022 bij de opdrachtgever. Na beëindiging van de terbeschikkingstelling bleef de uitzendkracht werkzaamheden verrichten, waarna het uitzendbureau een vergoeding vorderde op grond van haar algemene voorwaarden.
De opdrachtgever betwistte de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en stelde dat er geen sprake was van een arbeidsverhouding maar van zelfstandige werkzaamheden. De kantonrechter oordeelde dat artikel 15 sub e van Pro de algemene voorwaarden ook werkzaamheden als zelfstandige omvat, conform de uitleg van artikel 9a Waadi en de Uitzendrichtlijn. De juridische kwalificatie en vorm van de arbeidsrelatie zijn niet doorslaggevend.
De kantonrechter stelde vast dat tussen de opdrachtgever en de uitzendkracht sprake was van een arbeidsverhouding zoals bedoeld in de voorwaarden. De opdrachtgever werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding van € 12.107,21 exclusief btw, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. De vordering tot wettelijke handelsrente werd afgewezen omdat de vergoeding als boete werd aangemerkt.
De proceskosten werden aan de zijde van het uitzendbureau vastgesteld en aan de opdrachtgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De opdrachtgever is veroordeeld tot betaling van een vergoeding van € 12.107,21 exclusief btw, incassokosten en wettelijke rente wegens het aangaan van een arbeidsverhouding met de uitzendkracht binnen een jaar.