ECLI:NL:RBMNE:2024:4165
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling WIA-uitkering en dagloon
Eiser betwist de hoogte van zijn WIA-uitkering en stelt dat het UWV het maatmanloon en de maatmanomvang onjuist heeft vastgesteld, mede vanwege de coronapandemie en een eerdere arbeidsovereenkomst met lagere uren. Hij vindt de gehanteerde referteperiode niet representatief en verzoekt om een andere berekening.
Het UWV handhaafde het besluit en stelde dat het dagloon bepalend is voor de uitkeringshoogte, en dat beroepsgronden over het dagloon buiten bezwaar niet meer aan de orde kunnen komen. De rechtbank oordeelt echter dat het dagloon wel beoordeeld kan worden, maar dat het UWV de referteperiode en het dagloon correct heeft vastgesteld volgens de Wet WIA en het Dagloonbesluit.
De rechtbank wijst erop dat uitzonderingen op de referteperiode alleen gelden bij ziekte, verlof of werkstaking, en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor toepassing hiervan. Ook is de coronapandemie geen reden om af te wijken van de wettelijke regeling. De arbeidsovereenkomst met lagere uren ontstond pas na de referteperiode, waardoor geen correctie nodig is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit van het UWV en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot vaststelling van de WIA-uitkering wordt gehandhaafd.