ECLI:NL:CRVB:2024:887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dagloonberekening voor loongerelateerde WGA-uitkering volgens geldende regelgeving
Appellante werkte bij twee werkgevers in de referteperiode en ontving vanaf 17 juli 2019 een WIA-uitkering. Het UWV stelde het dagloon vast op € 73,50, gebaseerd op het gemiddelde loon over de referteperiode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019, waarbij het loon uit beide dienstbetrekkingen werd meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de startersregeling niet van toepassing was en het dagloon terecht volgens de hoofdregel was berekend. Appellante stelde dat deze berekeningswijze tot een onbillijke uitkomst leidt en dat het dagloon beter berekend kon worden over de periode vanaf januari 2019, toen zij bij beide werkgevers loon ontving.
De Raad oordeelt dat het Dagloonbesluit een politieke afweging weerspiegelt en dat de rechterlijke toetsing terughoudend moet zijn. De regeling waarbij het totale loon wordt gedeeld door 261 dagen is rechtmatig en passend, ook in het geval van appellante. De door appellante aangevoerde uitzonderingen en jurisprudentie zijn niet van toepassing op haar situatie.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. Het besluit van het UWV blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon wordt bevestigd op € 73,50 volgens de hoofdregel van het Dagloonbesluit.