Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Waar gaat de zaak over?
3.De beoordeling
135,00
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser is sinds 1 maart 2024 in dienst van gedaagde als Teamlead Production op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Op 25 juni 2024 is eiser uit zijn functie ontheven en is hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden, die hij niet heeft ondertekend. Gedaagde bood hem daarna werkzaamheden bij een zustermaatschappij aan, wat eiser weigerde. Gedaagde stelde daarop de loonbetaling per 10 juli 2024 stop.
Eiser vordert betaling van zijn loon vanaf 10 juli 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter beoordeelt in kort geding of de loonstop terecht was. Uit de feiten blijkt dat gedaagde de loonbetaling op 10 juli stopzette en vanaf 15 juli hervatte vanwege arbeidsongeschiktheid van eiser.
De kantonrechter stelt vast dat er geen grond was om het loon tussen 10 en 15 juli te stoppen, omdat de werknemer recht op loon behoudt als hij niet kan werken door schorsing of non-actiefstelling door de werkgever, tenzij het niet-werken voor rekening van de werknemer komt. Dit was hier niet het geval. De loonvordering wordt daarom gedeeltelijk toegewezen voor de periode 10 tot 15 juli 2024, inclusief wettelijke verhoging en rente. Het meer gevorderde, betaling tot het einde van de overeenkomst, wordt afgewezen wegens onzekerheid over toekomstige arbeidsongeschiktheid en re-integratie.
Uitkomst: Werkgever is veroordeeld tot betaling van loon over 10 tot 15 juli 2024 met wettelijke verhoging en rente; het meer gevorderde is afgewezen.