Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de Staat der Nederlanden(de staatssecretaris voor Rechtsbescherming).
Inleiding
niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de brief van 21 oktober 2019 geen bezwaar openstaat. Er is volgens het college immers geen sprake van een aanvraag in de zin van de Awb.
niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit. Het buiten behandeling laten van een aanvraag is volgens het college geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Overwegingen
sub 1: belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk, alsmede van het bouwwerk als geheel;
sub 2: de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie.
Indien de aanvraag betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een bestaand bouwwerk blijkt uit de aangeleverde gegevens tevens wat de opbouw van de bestaande constructie is (tekeningen en berekeningen) en wat de toegepaste materialen zijn.
- bouwtekeningen van de plattegronden van de bestaande en de gewenste nieuwe situatie, voorzien van maatvoering en op schaal 1:100;
- doorsnedetekening ter plaatse van de trap;
- principetekeningen en gegevens van de constructie.
7 juli 2023 heeft gedaan. Het college heeft in dat verband toegelicht dat hij in de brief van 26 mei 2023 om de principetekeningen en constructiegegevens heeft gevraagd ter voldoening aan de indieningsvereisten van artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Mor. Het college heeft blijkbaar meerdere onvolledigheden en onjuistheden in de overgelegde tekeningen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college dan ook in redelijkheid volledige en juiste tekeningen nodig vinden voor het naar behoren kunnen beoordelen van de aanvraag.
- bouwtekeningen van de plattegronden van de bestaande en de gewenste nieuwe situatie, voorzien van maatvoering en op schaal 1:100. In dat verband heeft het college aangegeven dat er in de aanvraag duidelijke bouwtekeningen (bestaand en nieuw) ontbreken, en dat eiser bij het indienen van de nieuwe tekeningen rekening dient te houden met de gewijzigde omstandigheden zoals de uitvoering van de bestuursdwang van 19 augustus 2019;
- principetekeningen en gegevens van de constructie;
- een beantwoording van de vragen wat de verschillen van de aanvraag zijn met:
19 augustus 2019.
5 augustus 2019 buiten behandeling heeft kunnen stellen omdat hij over onvoldoende gegevens beschikte om deze aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Eiser heeft immers niet tijdig de door het college gevraagde principetekeningen en constructiegegevens aan het college overgelegd, ook niet nadat hem daartoe een hersteltermijn is aangeboden. Eiser heeft daarmee niet aan de indieningsvereisten voldaan. De vraag of eiser al niet de (eveneens door het college gevraagde) bouwtekeningen tijdig en volledig heeft aangeleverd, behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking. Hetzelfde geldt voor de in de brief van 26 mei 2023 gestelde vragen over de verschillen met de andere aanvragen van eiser. De rechtbank zal ook dit punt daarom niet verder bespreken.
8 september 2023 verzocht om binnen twee weken informatie te verschaffen ter voldoening aan de indieningsvereisten van de Mor. Het college heeft in deze brief om de volgende gegevens verzocht:
19 augustus 2019.
22 september 2023 heeft kunnen en moeten afleiden dat eiser meer tijd nodig had om inhoudelijk op de brief van 8 september 2023 te reageren. In deze zienswijze heeft eiser immers opgemerkt dat een termijn van twee weken veel te kort is. Hierin ligt volgens eiser ondubbelzinnig besloten dat hij behoefte had aan een langere termijn.
22 september 2023 de conclusie had moeten trekken dat er een langere termijn verleend had moeten worden. Het college heeft in twee vergelijkbare zaken eenzelfde termijn aan eiser gegund waarbinnen eiser gegevens heeft verstrekt. Als de termijn te kort zou zijn, had het op de weg van eiser gelegen om dit zo spoedig mogelijk aan het college kenbaar te maken. Eiser heeft echter niet om verlenging van de termijn verzocht.
22 september 2023 weliswaar opgemerkt dat een termijn van twee weken veel te kort is, maar eiser heeft hier geen verzoek om verlenging van de betreffende termijn aan gekoppeld. Een dergelijk verzoek tot termijnverlenging kan daarin ook niet worden gelezen, zeker nu eiser in die brief betoogt dat volgens hem sprake is van een ontvankelijke aanvraag die aan de indieningsvereisten voldoet en dat het college op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo is gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt dus niet.
UTR 23/3440 en UTR 23/3439) overwogen schrijft artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Mor voor dat de aanvrager een situatietekening van de bestaande toestand overlegt. Dit omvat dus informatie van de feitelijke situatie, ongeacht of die situatie al dan niet zonder vergunning is verwezenlijkt. De beroepsgrond slaagt niet.
27 januari 2020, toen het bezwaarschrift door het college is ontvangen. Het college heeft het bestreden besluit op 27 juli 2020 genomen. Dat is zes maanden na het instellen van het bezwaar. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep ontvangen op 2 september 2020 en op 11 februari 2022 uitspraak gedaan. Hier zit een termijn van een jaar en ruim 5 maanden tussen.
rechtbank heeft op 7 augustus 2023 het beroepschrift van eiser ontvangen en doet op
13 september 2024 uitspraak. Hier zitten ruim dertien maanden tussen.
12 augustus 2019, toen het bezwaarschrift door het college is ontvangen. Het college heeft het bestreden besluit op 23 augustus 2022 genomen. Dat is ruim drie jaar na het instellen van het bezwaar. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep ontvangen op
30 september 2022 en op 17 augustus 2023 uitspraak gedaan. Hier zit een termijn van ruim tien maanden tussen.
13 september 2024 uitspraak. Hier zitten ruim negen maanden tussen.
€ 3.405,- aan eiser betalen en de Staat € 95,-.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt het college tot het betalen van een bedrag van € 3.619,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een bedrag van € 3.381,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het college tot betaling van € 8.158,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 552,- (3 x € 184,-) aan eiser moet vergoeden.
13 september 2024.