ECLI:NL:RVS:2023:1253
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over belanghebbendheid bij omgevingsvergunning mandelige keldermuur
Appellant, eigenaar van een pand in Utrecht, vroeg een omgevingsvergunning aan voor het reconstrueren van een mandelige keldermuur tussen zijn pand en dat van een buurman. Het college stelde het verzoek buiten behandeling omdat appellant geen toestemming had van de mede-eigenaar van de keldermuur, waardoor appellant geen belanghebbende zou zijn volgens het college.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het bouwplan niet verwezenlijkt kon worden zonder toestemming van de mede-eigenaar. Appellant stelde in hoger beroep dat hij als mede-eigenaar met gedeelde beschikkingsmacht wel degelijk belanghebbende is en dat het ontbreken van toestemming niet automatisch betekent dat het bouwplan niet kan worden uitgevoerd, mede omdat een civiele procedure mogelijk is om vervangende toestemming te verkrijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat het ontbreken van toestemming betekent dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Bij mandelige eigendom geldt gedeelde beschikkingsmacht en is het niet zonder meer aannemelijk dat het bouwplan niet kan worden uitgevoerd vanwege het ontbreken van toestemming. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en bepaalde dat appellant wel belanghebbende is en het verzoek een aanvraag in de zin van de Awb betreft.
Het college moet nu opnieuw beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college worden vernietigd, en appellant is belanghebbende bij de aanvraag omgevingsvergunning.