Verzoeker, voormalig bestuurder van een zorgstichting en werknemer bij verweerster, werd op staande voet ontslagen wegens het onrechtmatig overmaken van €100.000 van de bankrekening van de stichting naar zijn persoonlijke holding. Verzoeker betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en vorderde diverse vergoedingen, waaronder transitievergoeding en billijke vergoeding.
De kantonrechter stelde vast dat verzoeker niet bevoegd was tot deze overboeking en dat hij het bedrag niet heeft teruggestort ondanks verzoeken daartoe. Verzoeker handelde in strijd met zijn verplichtingen als werknemer en schond het vertrouwen van verweerster. Het ontslag op staande voet werd daarom als rechtsgeldig beoordeeld.
De kantonrechter wees de verzoeken van verzoeker af, waaronder de transitievergoeding, omdat het ontslag het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen. Verzoeker werd veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van €9.538,61 aan verweerster, gelijk aan het loon over de opzegtermijn. Verzoekers vordering tot schadevergoeding van €100.000 werd afgewezen omdat verweerster geen schade had geleden.
De proceskosten werden aan verzoeker opgelegd wegens zijn overwegend ongelijk en ernstig verwijtbaar handelen. De beschikking werd op 12 mei 2025 uitgesproken door kantonrechter van der Kraats.