ECLI:NL:RBMNE:2025:5714
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen proceskostenvergoeding en dwangsom bij WOZ-waarde woning
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de dwangsom en de proceskostenvergoeding in bezwaar tegen een WOZ-beschikking centraal. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning vastgesteld en na bezwaar verlaagd. Eiseres stelde de heffingsambtenaar in gebreke vanwege het late besluit op bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling op 30 januari 2024 door de heffingsambtenaar is ontvangen, waardoor het besluit uiterlijk 13 februari 2024 had moeten worden genomen. De uitspraak op bezwaar volgde echter op 15 februari 2024, wat recht geeft op een dwangsom over twee dagen. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op €46,-.
Daarnaast is de proceskostenvergoeding in bezwaar onjuist vastgesteld. De rechtbank corrigeert het puntentarief naar €647,- per punt en vermindert de vergoeding voor het deskundigenrapport tot €10,69, omdat het een geautomatiseerd rapport betreft. De vergoeding voor de schriftelijke hoorzitting wordt niet toegekend. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat het financiële belang minder dan €1.000,- bedraagt en de termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding en de afwijzing van de dwangsom betreft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte. Tevens veroordeelt zij de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in beroep en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de dwangsom vastgesteld op €46,- en de proceskostenvergoeding aangepast; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.