Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van meerdere onroerende zaken voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar heeft de waardes vastgesteld en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk ongegrond is.
De gemachtigde van eiser heeft geen concrete, zaaksspecifieke beroepsgronden aangevoerd, maar volstond met algemene en standaardbrieven die in meerdere zaken werden gebruikt. De rechtbank heeft eiser meerdere malen verzocht om nadere concretisering en bewijs, maar deze verzoeken bleven onbeantwoord of onvoldoende.
De heffingsambtenaar heeft met taxatiematrices en vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met ongeveer vier maanden is overschreden, is het financiële belang van eiser te gering om een schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten wordt eveneens afgewezen.