Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waardes van twee onroerende zaken voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar heeft de waardes vastgesteld op respectievelijk €1.087.000 en €772.000. Na bezwaar en een uitspraak op bezwaar die de waardes handhaafde, is het beroep aan de rechtbank voorgelegd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres geen concrete, zaaksspecifieke beroepsgronden heeft ingediend, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. De ingediende brieven bevatten algemene en niet-onderbouwde stellingen die niet toereikend zijn om twijfel te zaaien over de juistheid van de waardestelling. De heffingsambtenaar heeft met taxatiematrices en vergelijkbare referentieobjecten aannemelijk gemaakt dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting. Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met ongeveer vier maanden is overschreden, wordt geen immateriële schadevergoeding toegekend omdat het financiële belang van eiseres niet boven de €1.000,- uitkomt. Ook wordt het griffierecht niet vergoed en worden geen proceskosten toegewezen.
De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Veenendaal en griffier P.W. Hogenbirk op 23 december 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.