Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waardebepalingen van twee onroerende zaken, nadat bezwaar en het daaropvolgende bezwaarbesluit de waardes handhaafden. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk ongegrond was. De heffingsambtenaar heeft met taxatiematrices en een verweerschrift aannemelijk gemaakt dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld.
De gemachtigde van eiseres heeft geen concrete, zaakspecifieke beroepsgronden aangevoerd, ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank om deze te concretiseren en te onderbouwen met controleerbaar bewijs. De ingediende brieven bevatten slechts algemene, niet op de zaak toegespitste stellingen die de rechtbank niet kan aanmerken als voldoende gemotiveerd.
De rechtbank concludeert dat de waardebepaling zorgvuldig is uitgevoerd met passende referentieobjecten en dat de prijs- en huurwaarden binnen de vergelijkingsmarges vallen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met ongeveer tien maanden is overschreden, wordt geen immateriële schadevergoeding toegekend omdat het financiële belang onder de €1.000,- blijft. De heffingsambtenaar hoeft het griffierecht niet te vergoeden en wordt niet in de proceskosten veroordeeld.