In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een aanslag watersysteemheffing opgelegd door de heffingsambtenaar. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag, dat bezwaar is ongegrond verklaard, waarna beroep is ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk ongegrond was.
De gemachtigde van eiser heeft in het beroepschrift en in daaropvolgende correspondentie geen concrete, op de zaak toegespitste beroepsgronden aangevoerd die de juistheid van de aanslag betwijfelen. De rechtbank heeft meerdere malen verzocht om nadere, puntsgewijze en controleerbare gronden, maar de gemachtigde heeft steeds algemene en niet-zaaksspecifieke opmerkingen over waardevaststellingen van onroerend goed ingediend, die niet relevant zijn voor de watersysteemheffing.
Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ruim 2 jaar en 9 maanden is overschreden, wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen omdat het belang in deze procedure op nihil wordt gesteld vanwege het ontbreken van concrete beroepsgronden. De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en kent geen proceskosten toe.