ECLI:NL:RBMNE:2026:133

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/1790
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30a Wet WOZArtikel IV Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en Bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen aanslag watersysteemheffing wegens gebrek aan concrete beroepsgronden

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een aanslag watersysteemheffing opgelegd door de heffingsambtenaar. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag, dat bezwaar is ongegrond verklaard, waarna beroep is ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk ongegrond was.

De gemachtigde van eiser heeft in het beroepschrift en in daaropvolgende correspondentie geen concrete, op de zaak toegespitste beroepsgronden aangevoerd die de juistheid van de aanslag betwijfelen. De rechtbank heeft meerdere malen verzocht om nadere, puntsgewijze en controleerbare gronden, maar de gemachtigde heeft steeds algemene en niet-zaaksspecifieke opmerkingen over waardevaststellingen van onroerend goed ingediend, die niet relevant zijn voor de watersysteemheffing.

Hoewel de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ruim 2 jaar en 9 maanden is overschreden, wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen omdat het belang in deze procedure op nihil wordt gesteld vanwege het ontbreken van concrete beroepsgronden. De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en kent geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1790

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage).

Inleiding

1. In de beschikking van 31 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar een aanslag watersysteemheffing opgelegd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden ten aanzien van de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de aanslag watersysteemheffing. Er staan alleen algemeenheden in over waardevaststellingen van onroerend goed, maar dat ligt in deze procedure helemaal niet voor.
8. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting.
9. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden over waardevaststellingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben tot de aanslag.
10. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stukken van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig gezegd dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de uitspraak op bezwaar betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde en niet eens zien op heffingen. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan zou moeten blijken dat de aanslag niet juist is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de aanslag niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
12. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
13. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit ruim 4 jaar en negen maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en negen maanden.
14. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. [5] Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van
€ 500,- per half jaar en geldt eveneens de ‘oude’ bagatelgrens van € 15,-.
15. Het voorgaande leidt er echter niet toe dat immateriële schadevergoeding dient te worden uitgekeerd. Zoals hierboven overwogen zien de beroepsgronden van de gemachtigde -als deze al ergens op zien- vooral op de wet WOZ. In deze beroepsprocedure is geen enkel argument aangevoerd dat ziet op de watersysteemheffing, laat staan op déze concrete aanslag watersysteemheffing. Dat betekent dat geen enkel aangevoerd argument kan leiden tot een geslaagd beroep. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat dat het ‘belang’ in deze procedure op € 0,- dient te worden bepaald. De conclusie is dan ook dat er geen reden is om de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag terecht is opgelegd. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de aanslag. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Daarom krijgt eiser ook geen vergoeding voor proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.
5.Artikel IV, onder b, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en Bpm.