Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1520

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/2103
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens aantreffen harddrugs

Op 2 januari 2026 werd in een woning een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, waarna de burgemeester besloot de woning en berging voor drie maanden te sluiten. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar kansrijk was en of de sluiting geschikt en noodzakelijk was.

De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid gemeente Bunschoten 2022. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom de sluiting nog geschikt en noodzakelijk was, mede omdat de overtreding al was beëindigd en er geen concrete aanwijzingen waren voor drugshandel vanuit de woning. Ook was onduidelijk waarom niet volstaan kon worden met een minder ingrijpende maatregel.

Verder was er twijfel over de mate van betrokkenheid van verzoeker bij de drugs, waarbij aanwijzingen bestonden dat drugs zichtbaar lagen in de gedeelde slaapkamer en schuur, maar ook dat verzoeker mogelijk niet actief betrokken was. Gezien de grote gevolgen van sluiting voor verzoeker en de redelijke kans van slagen van het bezwaar, werd de sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester moet bij de bezwaarbeslissing de motivering aanscherpen en rekening houden met de mate van verwijtbaarheid van verzoeker.

Tot slot werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De sluiting van de woning wordt geschorst wegens onvoldoende motivering en redelijke kans van slagen van het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2103

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G. Vermeulen),
en

de burgemeester van de gemeente Bunschoten

(gemachtigden: mr. J.H. Meijer en mr. F. de Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning en de daarbij behorende berging aan de [adres] in [plaats] voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting (nu nog) geschikt en noodzakelijk is gelet op de doelen die met een sluiting worden beoogd. Omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en de gevolgen van een sluiting voor verzoeker groot zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 2 januari 2026 heeft de politie de woning aan de [adres] in [plaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking is in de woning een handelshoeveelheid harddrugs (218,19 gram cocaïne en 22,64 gram MDMA) aangetroffen. Ook werden er diverse voorwerpen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen; weegschalen, verpakkingsmaterialen zoals ponypacks en verschillende versnijdingsmiddelen. Tot slot werd er in totaal € 4.210,- in contanten aangetroffen. In de berging van de woning werd verder nog aangetroffen: twee borden met poederachtige witte substantie-resten, twee digitale weegschalen, diverse ponypacks en versnijdingmiddel.
2.1.
De politie heeft zijn bevindingen vastgelegd een bestuurlijke rapportage van
5 januari 2026 en een aanvullende bestuurlijke rapportage van 4 maart 2026.
2.2.
Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft de burgemeester de woning en de bijbehorende berging gesloten voor de duur van drie maanden omdat er een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen.
2.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De burgemeester heeft bij e-mailbericht van 12 maart 2026 laten weten dat de sluiting zal worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. Ben Mohammed als tolk en de gemachtigden van de burgemeester samen met [A] .

Beoordeling door de voorzieningenrechterToets voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. De voorzieningenrechter weegt daarnaast bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook het belang van de burgemeester om het bestreden besluit te handhaven tegenover het belang van verzoeker om toch in zijn woning te kunnen verblijven. Als het bezwaar niet kansrijk is, is er weinig ruimte om het belang van verzoeker zwaarder te laten wegen.
3.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Bevoegdheid sluiting

4. In deze voorlopige voorziening is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het verzoek om voorlopige voorziening draait om de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
5. De burgemeester hanteert bij zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat is neergelegd in het ‘Damoclesbeleid gemeente Bunschoten 2022’. Op grond van dat beleid volgt in een geval als dit in beginsel een sluiting voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft dus conform zijn beleid gehandeld.
6. Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel kan de vorm krijgen van een sluiting van de woning voor een bepaalde duur. De burgemeester kan – naar gelang de omstandigheden van het geval – kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. [1] De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
7. Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat de sluiting als herstelmaatregel niet langer geschikt is omdat er geen reëel risico meer is op herhaling. Daarnaast voert verzoeker aan dat de sluiting niet noodzakelijk is omdat niet gebleken is dat de openbare orde in de omgeving van de woning is verstoord door de aanwezigheid van de drugs. Onduidelijk is waarom niet volstaan kon worden met een waarschuwing.
8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning (nog) geschikt en noodzakelijk is en dat niet met een minder ingrijpend middel kon worden volstaan.
8.1.
In de eerste plaats vindt de voorzieningenrechter het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De burgemeester heeft bij de beoordeling van de geschiktheid van de sluiting verschillende doelen beschreven. Naast het algemene doel dat artikel 13b van de Opiumwet beoogt, noemt de burgemeester nog negen andere doelen, waarvan er een paar (I, V en VII) direct te herleiden zijn tot de algemene doelen die in het beleid [2] zijn genoemd. Meerdere van de doelen die in het besluit zijn genoemd, zijn niet gericht op het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet,
steeds in of vanuit de woning. Zij staan daarom in een verder verwijderd verband met het doel van de last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Daarbij komt dat de burgemeester bij de motivering van de geschiktheid van de sluiting de nadruk legt op de doelen signaalfunctie (VIII) en grotere meldingsbereidheid (IX). Van dergelijke doelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat daaraan beperkte betekenis toekomt omdat de sluiting niet bedoeld is om als afschrikking te dienen of om nog uitsluitend uit de dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. [3] De burgemeester dient in zijn besluit dan ook concreet te motiveren waarom de doelen die met een sluiting worden beoogd in het specifieke geval van verzoeker (nog) gerealiseerd kunnen worden door de sluiting van zijn woning. De overtreding van de Opiumwet in de woning is immers al beëindigd op 2 januari 2026, terwijl niet gebleken is dat na die beëindiging in of rond de woning nog druggerelateerde activiteiten plaatsvonden of daarvoor concrete vrees bestond. Ook is niet gebleken welke gevolgen van de beëindigde overtreding door de sluiting tenietgedaan zouden kunnen worden. De voorzieningenrechter merkt nog op dat het tijdsverloop tussen de beëindiging van de overtreding en de beoogde sluiting kort is, zodat uit het tijdsverloop op zich niet volgt dat de sluiting geen redelijk doel meer dient. Het korte tijdsverloop neemt niet weg dat duidelijk moet zijn welke doelen, na beëindiging van de overtreding, met een sluiting nog kunnen worden gediend. De motivering van burgemeester in het besluit schiet op dit punt tekort.
8.2.
Daarnaast is de voorzieningenrechter er gelet op de gedingstukken niet van overtuigd dat een sluiting noodzakelijk is gelet op de daarmee te dienen doelen. Aan de ene kant wijst de burgemeester er terecht op dat er een grote handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen in de woning in combinatie met diverse attributen die wijzen op handel in drugs. De burgemeester heeft kunnen overwegen dat daarmee sprake is van een ernstig geval zoals bedoeld in zijn eigen beleid en dat daarmee aannemelijk is dat de woning enige rol vervulde in de drugsketen. Aan de andere kant zijn er geen aanwijzingen dat er vanuit de woning werd gehandeld. Niet is gebleken van meldingen over bijvoorbeeld loop naar de woning of overlast door drugsgebruikers. Hoewel de voorzieningenrechter het gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs aannemelijk vindt dat deze bestemd waren voor de verkoop, betekent dat op zichzelf niet dat dit ook vanuit de woning werd gedaan. Omdat een woningsluiting een pandgerichte maatregel is, is dat echter wel relevant. In het dossier zitten met name aanwijzingen dat de handel elders in de gemeente plaatsvond.
8.3.
Anders dan de burgemeester stelt geeft de melding van Misdaad Anoniem naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen uitsluitsel over de relatie tussen de woning van verzoeker en drugshandel vanuit die woning. Op de zitting is komen vast te staan dat de burgemeester een melding heeft ontvangen van de politie waarin staat dat twee personen die worden gerelateerd aan het adres van verzoeker in drugs zouden handelen op diverse openbare plekken in de gemeente. Uit de bestuurlijke rapportage leidt de voorzieningenrechter af dat één van die personen verzoeker zou betreffen. Dat er ook gehandeld werd vanuit de woning van verzoeker kan daar echter niet uit worden afgeleid.
8.4.
Daarnaast zal de burgemeester zich er in het kader van de noodzakelijkheid van de sluiting beter van moeten vergewissen in welke mate verzoeker betrokken was bij de aangetroffen handelshoeveelheid drugs. Aan de ene kant zijn er aanwijzingen dat verzoeker niks afwist van de drugs in zijn woning. Verzoeker verklaart zelf dat de aangetroffen drugs van een vriend van hem waren die (al dan niet sinds kort) bij hem verbleef. In de bestuurlijke rapportage staan feiten en omstandigheden die deze verklaring onderschrijven. Zo is deze vriend bijvoorbeeld aangehouden door de politie en zit hij nog vast. Verzoeker wordt voor zover bekend niet verdacht van strafrechtelijke betrokkenheid. Daarnaast volgt uit de bestuurlijke rapportage en het onderliggende proces-verbaal dat de drugs zijn aangetroffen aan de zijde van de slaapkamer van de vriend en dat alleen in zijn kleding de contanten zijn gevonden. Uit de pagina’s van het proces-verbaal van de doorzoeking van de woning, die op de zitting door verzoeker zijn overgelegd, blijkt dat in zijn kasten op de slaapkamer geen drugs, ponypacks, contanten en dergelijke zijn aangetroffen. Aan de andere kant bevatten de dossierstukken ook aanwijzingen voor betrokkenheid van verzoeker bij de aangetroffen drugs. Zo volgt uit de bestuurlijke rapportage dat de drugs in de tas zichtbaar waren voor eenieder die zich in die ruimte begaf. Verzoeker sliep daar ook. Daarnaast zijn er ook in de schuur van verzoeker drugs en druggerelateerde attributen aangetroffen. Verzoeker heeft daar geen verklaring voor kunnen geven in het licht van zijn stelling dat de vriend slechts kort bij hem verbleef en geen sleutel had van de woning of de schuur. Verder bevat de bestuurlijke rapportage aanwijzingen dat de vriend van verzoeker al (veel) langer in de woning verbleef dan verzoeker stelt.
8.5.
Over de verwijtbaarheid kan uit de gedingstukken slechts met enige mate van zekerheid worden afgeleid dat verzoeker onvoldoende toezicht heeft gehouden op wat zijn vriend in de woning deed tijdens zijn verblijf. De drugs lagen namelijk zichtbaar in de gedeelde slaapkamer en ook in zijn schuur. Dat de vriend van verzoeker (pas) kort in de woning verbleef vindt de voorzieningenrechter gelet op de inhoud van de bestuurlijke rapportage niet op voorhand aannemelijk. Er lagen veel spullen van deze vriend in de woning. De rechtbank is gelet op het voorgaande echter niet overtuigd dat dit (ook) betekent dat verzoeker een actieve rol had in de (handel in) drugs die bij hem in de woning is aangetroffen en ook niet dat er vanuit de woning werd gehandeld.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan, dat is ook niet in geschil. Op grond van het bovenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester op dit moment ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de sluiting van de woning een evenredige uitoefening is van de bevoegdheid tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Op dit moment zijn er te veel vragen over de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting. Omdat er een redelijke kans bestaat dat het bezwaar tot een andere uitkomst leidt en de belangen van verzoeker gezien zijn huursituatie zwaar wegen, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Hij schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester de woning nu niet mag sluiten.
10. De burgemeester zal bij de beslissing op bezwaar zijn motivering van de geschiktheid en noodzaak van de sluiting nader moeten toespitsen op het concrete geval van verzoeker. Indien de burgemeester weer tot de conclusie komt dat een sluiting geschikt en noodzakelijk is, dan zal hij in het kader van de evenredigheid ook de mate van verwijtbaarheid van verzoeker moeten betrekken.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst met de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoek een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaalbedrag van € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
De griffier is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922; ECLI:NL:RVS:2025:2923; ECLI:NL:RVS:2025:3262; ECLI:NL:RVS:2025:3263; ECLI:NL:RVS:2025:3266).
2.Damoclesbeleid gemeente Bunschoten 2022.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:755).