Eiseres diende op 22 juli 2025 een bezwaarschrift in bij het UWV. Verweerder verlengde de beslistermijn eenmaal tot 28 januari 2026, maar had op die datum nog geen besluit genomen. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 2 februari 2026 verstreken twee weken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven en dat een dwangsom van maximaal 42 dagen is verbeurd. Omdat verweerder de dwangsom niet zelf had vastgesteld, doet de rechtbank dit nu en legt een dwangsom van € 1.442,- op. Tevens wordt verweerder opgedragen binnen twee maanden na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Voor elke dag dat verweerder daarna nog in gebreke blijft, geldt een dwangsom van € 100,- met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van € 54,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres vergoeden. De rechtbank wijst erop dat de termijn van twee maanden aansluit bij eerdere jurisprudentie en dat de omstandigheden rondom het tekort aan verzekeringsartsen dit rechtvaardigen.