ECLI:NL:RBMNE:2026:1868

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/6183, 26/2645 en 26/2781
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 6:19 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang en noodopvang op grond van de Wmo 2015

Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang en noodopvang bij het college van burgemeester en wethouders van Almere. De aanvraag voor maatschappelijke opvang werd afgewezen omdat eiseres volgens het college voldoende zelfredzaam is en de Wmo 2015 niet bedoeld is om huisvestingsproblemen op te lossen. De rechtbank bevestigt dit oordeel en verklaart het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.

Daarnaast is de aanvraag voor noodopvang afgewezen en beëindigd op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college dit beleid consistent en rechtmatig heeft toegepast. Eiseres voldoet niet aan alle voorwaarden, met name omdat zij onvoldoende meewerkt aan onderzoek naar haar netwerk, waardoor niet kan worden vastgesteld of andere opvangmogelijkheden bestaan.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar medische situatie, de belangen van haar minderjarige zoon en internationale verdragsbepalingen een andere beoordeling rechtvaardigen. De rechtbank en voorzieningenrechter volgen dit niet, omdat deze omstandigheden niet leiden tot een onevenredig resultaat binnen het wettelijke kader. Het beroep tegen de afwijzing van noodopvang is daarom eveneens ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank en voorzieningenrechter wijzen het beroep tegen de afwijzing van maatschappelijke opvang en noodopvang af omdat eiseres voldoende zelfredzaam is en niet voldoet aan de voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6183, 26/2645 en 26/2781
uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter van 20 april 2026 op de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college

(gemachtigden: P.I. Algoe en L. Buwalda-Alilouch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang 2015 (Wmo 2015) en over de afwijzing en beëindiging van noodopvang.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag van eiseres om maatschappelijke opvang terecht heeft afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres voldoende zelfredzaam is. De Wmo is niet bedoeld om een huisvestingsprobleem op te lossen. Het beroep tegen het besluit over maatschappelijke opvang is ongegrond.
1.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college eiseres terecht niet (langer) heeft toegelaten tot de noodopvang. Het college heeft het buitenwettelijk begunstigend beleid mogen toepassen en zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, onder meer omdat onvoldoende inzicht bestaat in de mogelijkheden binnen haar netwerk en eiseres onvoldoende meewerkt aan onderzoek daarnaar. Het beroep tegen het besluit over noodopvang is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
1.3.
Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank en de voorzieningenrechter tot deze oordelen komen en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

2.1.
In de periode van 24 tot en met 27 augustus 2024 hebben eiseres en haar zoon [A] feitelijk opvang ontvangen in een hotel. Deze opvang is op 27 augustus 2024 beëindigd.
2.2.
Bij besluit van 2 december 2024 (primair besluit 1) heeft het college de mondelinge aanvraag van eiseres van 29 augustus 2024 om maatschappelijke opvang afgewezen.
2.3.
Op 11 februari 2025 heeft eiseres zich opnieuw gemeld met een verzoek om noodopvang. In de periode van 11 tot en met 20 februari 2025 hebben eiseres en [A] opvang ontvangen in een hotel.
2.4.
Bij besluit van 20 februari 2025 heeft het college eiseres voor de periode van 11 tot en met 17 februari 2025 noodopvang toegekend.
2.5.
Bij besluit van 20 februari 2025 (primair besluit 2) heeft het college het primaire besluit 1 herzien en de aanvraag van eiseres om maatschappelijke opvang van 29 augustus 2024 met aangepaste motivering afgewezen.
2.6.
Bij besluit van 20 februari 2025 (primair besluit 3) heeft het college de aanvraag van eiseres om noodopvang afgewezen.
2.7.
Bij het bestreden besluit 1 van 23 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan dit bestreden besluit ligt een aanvullende onderzoeksrapport van oktober 2025 ten grondslag. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres voldoende zelfredzaam is en dat geen sprake is van een situatie die maatschappelijke opvang noodzakelijk maakt.
2.8.
Bij het bestreden besluit 2 van 23 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primair besluit 3 ongegrond verklaard.
2.9.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 1 (over maatschappelijke opvang) is geregistreerd onder zaaknummer 26/2781. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is geregistreerd onder zaaknummer 25/6183.
2.10.
Eiseres heeft op 3 april 2026 aanvullende gronden en nadere stukken ingediend en daarnaast, samenhangend met het beroep met zaaknummer 25/6183, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 26/2645.
2.11.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nieuwe beslissing op bezwaar ingebracht. Bij dit bestreden besluit 3 van 30 maart 2026 heeft het college het bestreden besluit 2 herzien. Het college heeft het bezwaar tegen het primaire besluit 3 met aangepaste motivering ongegrond verklaard.
2.12.
De beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening zijn gevoegd behandeld op zitting van 13 april 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Momand als tolk, [B] (juridische vader [A] ) en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep tegen de afwijzing van maatschappelijke opvang (26/2781)
3.1.
Voor een recht op opvang is bepalend of appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving. [1] Gelet op de hulpvraag van eiseres houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige zoon te voorzien. Met andere woorden: appellante kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 is niet bedoeld om een louter huisvestingsprobleem op te lossen. [2]
3.2.
Eiseres voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar situatie en die van [A] . Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie aanvullend onderzoek laten verrichten in september/oktober 2025 en de resultaten daarvan betrokken bij de besluitvorming. Daarmee heeft het college zich een toereikend beeld gevormd van de situatie van eiseres en haar zoon.
3.3.
Eiseres voert verder aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een noodzaak voor maatschappelijke opvang. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het aanvullende onderzoeksrapport van oktober 2025, gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres voldoende zelfredzaam is en dat haar problematiek in de kern samenhangt met het ontbreken van stabiele huisvesting. De rechtbank volgt het college in dit standpunt. Daarbij is van belang dat de Wmo 2015 niet is bedoeld om een huisvestingsprobleem op te lossen. Dat eiseres geen stabiele woonruimte heeft, betekent op zichzelf niet dat zij zich niet op eigen kracht in de samenleving kan handhaven. De door eiseres gestelde medische situatie en het tijdsverloop zien niet op beperkingen in de vaardigheden in de zin van de Wmo. Veel van de door eiseres genoemde problemen hangen samen met het ontbreken van stabiele huisvesting en niet met een gebrek aan zelfredzaamheid. Voor zover eiseres daarnaast heeft gewezen op financiële problematiek, geldt dat deze inmiddels (deels) is opgelost, aangezien eiseres inmiddels een uitkering op grond van de Participatiewet, kindgebonden budget en kinderbijslag ontvangt.
3.4.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de afwijzing van maatschappelijke opvang in strijd is met het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft in dat verband gewezen op haar medische situatie, de belangen van [A] en op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor maatschappelijke opvang, bestaat in beginsel geen aanspraak op een maatwerkvoorziening en is de ruimte voor een zelfstandige toets aan het evenredigheidsbeginsel beperkt. Alleen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet in het wettelijk kader zijn verdisconteerd en die maken dat toepassing daarvan tot een onevenredig resultaat leidt, kan aanleiding bestaan om daarvan af te wijken. [3] Van zulke omstandigheden is hier niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit artikel 8 van Pro het EVRM geen recht op huisvesting kan worden afgeleid en dat eventuele positieve verplichtingen om opvang te bieden slechts onder bijzondere omstandigheden bestaan, terwijl ook niet is gebleken dat het college de belangen van de minderjarige zoon van eiseres onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. [4] De door eiseres genoemde omstandigheden zijn naar hun aard reeds betrokken bij de beoordeling van de zelfredzaamheid en de noodzaak van opvang. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de wettelijke criteria in haar geval tot een evident onevenredig resultaat leidt.
3.5.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is ongegrond.
3.6.
Dat geen aanspraak bestaat op maatschappelijke opvang sluit niet uit dat noodopvang aan de orde kan zijn. De beoordeling daarvan ligt hierna voor.
Beoordeling door de voorzieningenrechter van het beroep tegen de noodopvang (25/6183) en van het verzoek om voorlopige voorziening (26/2645)
3.7.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep met zaaknummer 25/6183, beslist zij naast het verzoek om voorlopige voorzieningen ook op dat beroep van eiseres. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het bestreden besluit 2
3.8.
Het bestreden besluit 3 van 30 maart 2026 strekt tot vervanging van het bestreden besluit 2. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 2 geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 3. Nu het bestreden besluit 2 is vervangen en eiseres daarbij geen zelfstandig belang meer heeft, is het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk.
Het bestreden besluit 3
3.9.
Eiseres voert tegen het bestreden besluit 3 aan dat het college een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd, omdat bij beëindiging van noodopvang een andere beoordeling zou moeten plaatsvinden dan bij een aanvraag. Verder stelt zij dat het door het college gestelde buitenwettelijk begunstigend beleid onvoldoende kenbaar is. Ook voert zij aan dat het college ten onrechte nader onderzoek naar haar netwerk nodig acht, aangezien de door haar overgelegde brieven voldoende zijn voor de conclusie dat haar netwerk is uitgeput. Daarnaast stelt zij dat het college in strijd handelt met fundamentele rechten door onvoldoende gewicht toe te kennen aan de belangen van [A] . Volgens eiseres is de uitkomst, gelet op haar medische situatie en de dreigende dakloosheid, onevenredig. Ook in dat verband beroept eiseres zich op artikel 8 van Pro het EVRM en op artikel 3 van Pro het IVRK.
3.10.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de noodopvang wordt verleend op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit beleid is niet schriftelijk vastgelegd, maar de inhoud en de voorwaarden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende kenbaar uit de besluitvorming en de toelichting daarop. Gelet op de regionale functie van de opvang en het beperkte aantal beschikbare plaatsen mocht het college voorwaarden stellen aan de toegang tot en de voortzetting van opvang. De voorzieningenrechter volgt eiseres niet in haar betoog dat bij beëindiging een ander toetsingskader geldt. De vraag of opvang kan worden voortgezet, ligt besloten in de beoordeling of (nog) aan de voorwaarden voor opvang wordt voldaan.
3.11.
Om in aanmerking te komen voor crisisopvang dient er onder andere voldaan te zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
  • Dakloosheid buiten eigen schuld om– Er is geen vaste woon- of verblijfplaats en er kan niet op eigen kracht onderdak gevonden worden. Deze dakloosheid moet zijn ontstaan buiten eigen schuld om;
  • Twee jaar of langer binding met gemeente Almere– Er moet een aantoonbare binding zijn met de gemeente Almere;
  • Geen andere opvangmogelijkheden– Er is geen mogelijkheid om bij familie, vrienden, netwerk of andere instanties, waaronder reguliere maatschappelijke opvang, onderdak te krijgen;
  • Legale verblijfstatus– Er moet sprake zijn van een geldige verblijfsstatus in Nederland;
  • Medewerking aan een transparant onderzoek– Er wordt verwacht dat er ten alle tijden wordt meewerkt aan onderzoek en dat er bij dit onderzoek volledige openheid en transparantie gegeven wordt ten aanzien van onder andere de ontstane situatie, de actuele stand van zaken en de financiën;
  • Bereidheid tot hulpverlening– Er wordt verwacht dat er wordt meewerkt aan begeleiding en een traject naar zelfstandigheid, zoals bijvoorbeeld schuldhulpverlening of verslavingszorg; en
  • Onvoldoende middelen– Er moet sprake zijn van onvoldoende financiële middelen om zelf voor onderdak te zorgen.
3.12.
Bij de toepassing van dit beleid toetst de voorzieningenrechter terughoudend. Dat betekent dat wordt beoordeeld of het college het beleid consistent heeft toegepast en of fundamentele rechten van eiseres (en haar zoon) niet zijn geschonden. [5]
3.13.
De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting is komen vast te staan dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 3 inmiddels twee jaar stond ingeschreven in de gemeente Almere en dus aan de voorwaarde voldeed dat zij twee jaar of langer binding heeft met de gemeente Almere. Ook met het voldoen aan deze voorwaarde is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aan alle voorwaarden voor noodopvang voldoet. Daarbij heeft het college doorslaggevend mogen achten dat onvoldoende inzicht bestaat in de mogelijkheden binnen het netwerk van eiseres, omdat zij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek daarnaar. Het college heeft eiseres meermalen verzocht om toestemming om contact op te nemen met personen en instanties binnen haar netwerk, maar die toestemming is niet gegeven. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zonder dat onderzoek niet kan worden vastgesteld of andere opvangmogelijkheden bestaan. De enkele stelling van eiseres dat uit de overgelegde verklaringen blijkt dat het netwerk geen oplossing kan bieden, is daartoe onvoldoende.
3.14.1.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de afwijzing van noodopvang in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het college past bij de beoordeling van aanvragen om noodopvang buitenwettelijk begunstigend beleid toe. Dergelijk beleid wordt door de rechter in beginsel getoetst als ware het een besluit dat berust op een algemeen verbindend voorschrift, met dien verstande dat de toetsingsintensiteit beperkter is. In een geval als dit, waarin niet is voldaan aan de in het beleid gestelde voorwaarden en het beleid geen nadere invulling geeft aan de te maken belangenafweging, beperkt de rechterlijke toetsing zich tot de vraag of toepassing van die voorwaarden in dit concrete geval leidt tot een onevenredig resultaat. Alleen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet in het beleid zijn verdisconteerd en die maken dat onverkorte toepassing daarvan onevenredig uitpakt, kan aanleiding bestaan om die voorwaarden buiten toepassing te laten. Dat brengt mee dat de beoordeling vervolgens weer plaatsvindt binnen de discretionaire ruimte van het college. Daarbij geldt, onder verwijzing naar wat onder 3.4 is overwogen, dat uit artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het IVRK geen zelfstandig recht op noodopvang volgt en slechts onder bijzondere omstandigheden een positieve verplichting kan bestaan om opvang te bieden. [6] Verder is van belang dat noodopvang niet is bedoeld om algemene huisvestingsproblemen op te lossen.
3.14.2.
Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken. Eiseres heeft gewezen op haar medische situatie, de belangen van [A] , de door haar ingeroepen verdragsbepalingen en de omstandigheid dat zij haar huidige verblijf per 30 april 2026 moet verlaten. De door eiseres gestelde medische situatie maakt op zichzelf niet dat zij voor noodopvang in aanmerking moet komen. Juist gelet op die situatie is van belang dat inzicht bestaat in de mogelijkheden van ondersteuning binnen het eigen netwerk. Het college heeft eiseres verzocht om medewerking te verlenen aan het in kaart brengen van dat netwerk, maar eiseres heeft die medewerking niet verleend en heeft ter zitting bevestigd daaraan niet te willen meewerken. Dat eiseres heeft gesteld dat haar netwerk geen oplossing kan bieden, maakt dit niet anders, reeds omdat dit zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld. Ook in het licht van de onder 3.4 genoemde verdragsrechtelijke kaders leiden de door eiseres aangevoerde belangen van [A] niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat het college deze belangen onvoldoende heeft betrokken bij zijn besluitvorming of dat sprake is van zodanige bijzondere kwetsbaarheid dat het college gehouden was om (verdergaande) noodopvang te bieden. Dat eiseres inzet op het verkrijgen van stabiele huisvesting, zodat familie uit het buitenland voor haar en [A] kan zorgen, tijdens en na haar medische ingreep, maakt dit niet anders, reeds omdat noodopvang niet is bedoeld om in een dergelijke behoefte te voorzien. Dat de vader de verantwoordelijkheid bij de gemeente legt, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het in de eerste plaats op de weg van eiseres en haar netwerk, waaronder de vader, ligt om in opvang of ondersteuning te voorzien. De omstandigheid dat eiseres haar huidige verblijf per 30 april 2026 moet verlaten, maakt het voorgaande evenmin anders. Deze omstandigheid hangt samen met haar huisvestingssituatie en leidt, mede gelet op de beperkte toetsing bij buitenwettelijk begunstigend beleid, niet tot het oordeel dat het college gehouden was om van het beleid af te wijken.
3.15.
Het college heeft het beleid consistent toegepast en de aanvraag om noodopvang terecht afgewezen. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ongegrond.
3.16.
Omdat het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond is, bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is niet-ontvankelijk. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 zijn ongegrond. Dat betekent dat deze besluiten in stand blijven. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond is, bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond.
De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
2.Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931, en van 19 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:194.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471.
4.Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446, van 21 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1087, en van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797.
5.Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1154, en van 14 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:320.
6.Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446, en van 23 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1087.