Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Overwegingen
- Vrijstaande garage van 14 m² uit 1992;
- Een dakopbouw van 2 m² uit 2014;
- Een dakkapel van 2 m² uit 2002;
- Een aanbouw van 12 m² uit 2002;
- Een overkapping van 5 m² uit 2014.
- [adres 2] , verkocht op 16 februari 2022 voor € 605.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 15 juni 2021 voor € 575.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 18 december 2021 voor € 526.000,-.
- [adres 5] , verkocht op 9 augustus 2022 voor € 520.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 8 oktober 2022 voor € 530.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 18 december 2021 voor € 526.000,-.
[adres 4]wordt zowel in de taxatiematrix van de heffingsambtenaar als de taxatiekaart van eiser als referentiewoning gebruikt. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van deze referentiewoning als onderbouwing daarom niet in geschil is. Op de zitting is door de taxateur nog toegelicht dat wanneer zij
[adres 6]in hun onderbouwing zouden opnemen dit nagenoeg dezelfde berekening oplevert als
[adres 4], en zij op het gebruiken van deze woning geen bezwaar zouden hebben nu de eindconclusie daarmee niet verandert. De rechtbank volgt deze uitleg zoals door de taxateur gegeven. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de woning aan
[adres 6]volgens de taxateur in lijn ligt met de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen en de vastgestelde waarde juist onderbouwt.
[adres 5], overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting is door de taxateur toegelicht dat deze woning door de dusdanig afwijkende verkoopprijs niet door de permanente marktanalyse komt en daarom is afgekeurd om te gebruiken. De verkoopprijs ligt niet in lijn met andere objecten en valt daarom buiten de analyse. Bovendien wijkt deze woning af voor wat betreft de voorzieningen, nu deze qua voorzieningen op (2) zou worden gesteld tegenover de kwalificatie (3) van onderhavige woning. De rechtbank kan deze uitleg ten aanzien van de afwijkende verkoopprijs en het afwijkende voorzieningennivau goed volgen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat hoewel de gemachtigde van eiser heeft gesteld te betwisten dat de voorzieningen van de woning aan de
[adres 5]op (2) moeten worden gekwalificeerd, hij dit niet verder heeft onderbouwd met stukken. Bovendien staat het de heffingsambtenaar vrij om te kiezen voor die woningen die hij het meest geschikt acht [2] en het is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsambtenaar daarvoor niet de beste vergelijkingen heeft gekozen.
€ 500,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat € 1.000,-. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiser niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [5]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser.
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.