Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Procesverloop
€ 689.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2024. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Overwegingen
€ 601.875,-. Eiser voert daarnaast aan dat er onvoldoende rekening gehouden is met de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau. Eiser heeft sinds de oplevering alleen de noodzakelijke investeringen gedaan. Er heeft geen vernieuwing plaatsgevonden van wandafwerking, keuken, sanitair, badkamer etc. Er heeft ook geen uitbreiding van het woondeel plaatsgevonden. Van verduurzaming is ook geen sprake.
m²-prijzen die dan alsnog in de matrix staan hebben te maken met de verschillen in KOUDV en met bijvoorbeeld de grootte. Bij een grote garage zoals bij referentiewoning [adres 3] wordt er ook nog een afstaffeling toegepast, omdat als de garage groter is, er minder waarde per m² aan toegekend wordt. Ten aanzien van de KOUDV-correcties heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat daar alleen bij de initiële waardebepaling daadwerkelijk een correctie voor toegepast wordt. In de matrix worden de m²-prijzen weergegeven zoals ze zijn zonder correctie van de KOUDV-verschillen. Dan moet uit de verschillen in m²-prijzen blijken dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Zo heeft de woning een m²-prijs van € 2.676,- per m² en de referentiewoningen een gemiddelde m²-prijs van € 3.328,-. Dat is dus een verschil van
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.