ECLI:NL:RBMNE:2026:4001

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6099
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14h WhtArt. 2.7 WhtArt. 2.1 WhtArt. 3:41 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar kinderopvangtoeslag ex-partner

Eiser, aangemerkt als gedupeerde ex-partner in de kinderopvangtoeslagaffaire, kreeg een forfaitair bedrag van € 10.000 toegekend door de Dienst Toeslagen. Eiser maakte bezwaar tegen de mogelijke verrekening van dit bedrag met een toekomstig forfaitair bedrag van € 30.000 als gedupeerde aanvrager. De Dienst Toeslagen verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat niet vaststaat dat het bestreden besluit tijdig is ontvangen. Daarom laat de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring achterwege en verklaart het beroep gegrond. De mededeling over verrekening in de toekomst heeft geen actueel rechtsgevolg en het bezwaar had niet niet-ontvankelijk verklaard mogen worden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde ex-partner door problemen met de kinderopvangtoeslag. Eiser stelt dat hij ook aangemerkt moet worden als gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag [1] en heeft hierover nog een procedure lopen. De Dienst Toeslagen heeft beslist dat eiser recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 10.000,-, zoals is neergelegd in artikel 2.14h van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Als eiser later (als gedupeerde ouder) recht blijkt te hebben op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- dan wordt het bedrag van € 10.000,- hiermee verrekend. Eiser is het niet eens met de mogelijke verrekening in te toekomst. Hij voert daartoe beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding bij het instellen van het beroep. De rechtbank laat daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege. De mogelijke verrekening van € 10.000,- met € 30.000,- in de toekomst heeft echter op dit moment geen rechtsgevolg. De Dienst Toeslagen had het bezwaar van eiser daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
1.2 De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT). De Dienst Toeslagen heeft eiser met het besluit van 3 april 2025 aangemerkt als gedupeerde ex-partner en aan hem een forfaitair bedrag van € 10.000,- toegekend. [2] Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1
Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Volgens de Dienst Toeslagen komt eiser in aanmerking voor het forfaitaire bedrag van € 10.000,- op grond van artikel 2.14h van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft hierbij vermeld dat als later blijkt dat eiser in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,- [3] de reeds ontvangen € 10.000,- hiermee wordt verrekend. Eiser heeft dit bedrag namelijk al op grond van een herstelmaatregel ontvangen. Dit staat in artikel 2.7, eerste lid van de Wht.

Toetsingskader

4. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht bepaalt dat de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor vóór 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toekent van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats.
4.1 Artikel 2.14h van de Wht bepaalt dat de Dienst Toeslagen op aanvraag een compensatie van € 10.000 toekent aan een ex-partner, met dien verstande dat de compensatie nihil bedraagt indien een ex-partner eerder compensatie heeft ontvangen op grond van dit lid. Compensatie blijft achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming is voorzien ter zake van geleden schade als gevolg van een beschikking vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid of een beschikking vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld. Onder vergoeding of tegemoetkoming als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een bedrag dat de ex-partner heeft ontvangen van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag vanwege het met de ex-partner delen van een tegemoetkoming of compensatie die de aanvrager heeft ontvangen op grond van deze wet.

Beoordeling ontvankelijkheid van het beroep

5.
De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve of het beroep van eiser ontvankelijk is. Alleen indien het beroep ontvankelijk is, komt de rechtbank namelijk toe aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.
5.1
Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Die termijn vangt aan de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [4] In artikel 3:41 van Pro de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
5.2
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit volgens de Dienst Toeslagen op 24 juli 2025 is verzonden. Het beroep van eiser is op 22 oktober 2025 ontvangen door de rechtbank. Dat is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit betekent dat, als eenmaal is vastgesteld dat de termijn is overschreden, moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding verwijtbaar of juist verschoonbaar is. Voor de beoordeling zijn de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [5] van belang. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in sociale zekerheidszaken, heeft zich met de uitspraak van 8 mei 2024 aangesloten bij de uitspraken van het CBb van 30 januari 2024. [6] Hieruit volgt dat iemand niet verwijtbaar te laat is als hij binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen een rechtsmiddel instelt.
5.3 De Dienst Toeslagen stelt dat het bestreden besluit van 24 juli 2025 via PostNL aangetekend is verzonden naar het kantooradres van gemachtigde van eiser en dat het op 24 juli 2025 door geadresseerde is ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft een kopie van een envelop overgelegd waarop de gemachtigde van eiser en zijn kantooradres zichtbaar is en een track en trace code. Ten aanzien van de ontvankelijkheid refereert de Dienst Toeslagen aan het oordeel van de rechtbank.
5.4
De gemachtigde stelt dat hij het bestreden besluit niet eerder heeft ontvangen dan 25 september 2025. De gemachtigde voert aan dat uit de envelop niet volgt wat erin zit, een kenmerk en datum van de brief ontbreekt.
5.5
Als een besluit aangetekend is verzonden en de betrokkene de ontvangst ervan ontkent, moet in verband met de eventuele verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb worden onderzocht of het stuk door het postvervoerbedrijf op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. De door de Dienst Toeslagen overgelegde track & trace code was voor de rechtbank niet te raadplegen. De Dienst Toeslagen gaf tijdens de zitting aan dat ook zij de track en trace code niet (meer) kon raadplegen. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit van 24 juli 2025 is en dat volgens de Dienst Toeslagen de gemachtigde van eiser op 24 juli 2025 het bestreden besluit zou hebben ontvangen. Uit het verzendbewijs volgt echter niet dat de envelop het bestreden besluit van 24 juli 2025 bevatte en de track en trace code kan niet worden gecheckt. Daarom staat niet vast dat het besluit op 24 juli 2025 of kort daarna is ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft gesteld dat hij het bestreden besluit op 25 september 2025 heeft ontvangen en heeft binnen 6 weken daarna beroep ingesteld. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank laat daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege.
Inhoudelijke beoordeling van het beroep6. Eiser voert aan dat hij in 2012 en 2013 als ex-toeslagpartner gedupeerd is en daarom heeft hij recht op € 10.000,-. Hij is in 2005 en 2006 als alleenstaande ouder gedupeerd en daarom heeft hij ook recht op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Volgens eiser zijn dit verschillende perioden en verschillende identiteiten, waardoor verrekening achterwege moet blijven als aan hem, na een gegrond bezwaar of beroep, € 30.000,- wordt toegekend.
6.1
De Dienst Toeslagen voert aan dat eiser niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in bezwaar, omdat de mededeling in de brief over de verrekening geen rechtsgevolg heeft.
6.2
De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit aan eiser een mededeling wordt gedaan over een eventuele verrekening in de toekomst. De mededeling over de verrekening heeft geen rechtsgevolg, maar betreft een verwijzing naar een wettelijke bevoegdheid. [7] Eiser heeft geen actueel belang bij deze mededeling over de verrekening, maar hooguit een toekomstig belang. Het verrekenen wordt pas relevant als aan eiser daadwerkelijk een bedrag van € 30.000,- wordt toegekend. Mocht in de toekomst een verrekeningsbeslissing genomen worden dan kan eiser daartegen opkomen. Naar het oordeel van de rechtbank had de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
6.3
Omdat de Dienst Toeslagen heeft nagelaten om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf voorzien in de zaak door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het beroep verder niet inhoudelijk wordt behandeld. De Dienst Toeslagen heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2022 [8] . Daarin is geoordeeld dat een foutief dictum in een rechterlijke uitspraak niet leidt tot cassatie. De rechtbank acht die uitspraak niet toepasselijk in dit geval, omdat het gaat om een beslissing op bezwaar, en niet om een rechterlijke uitspraak. Er is ook een uitspraak van de Hoge Raad van 8 maart 2024 [9] , waarin is geoordeeld dat een onjuist dictum in bezwaar niet tot cassatie leidt, omdat daar geen redelijk belang mee gediend is. De rechtbank ziet in deze uitspraak over een belastingzaak echter geen aanleiding om af te wijken van de vaste lijn van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State in vergelijkbare gevallen.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7.1
De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk;
- draagt de Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals is neergelegd in artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.Zoals is neergelegd in artikel 2.14h van de Wht.
3.Op grond van artikel 2.1 van de Wht.
4.Artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb)
6.Zie CRvB 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.
7.Zie ook ECLI:NL:CRVB:2022:2619, r.o. 4.7.
8.ECLI:NL:HR:2022:1033, rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3
9.ECLI:NL:HR:2024:238, rechtsoverweging 4.1.5